Belastingrecht

Hoge Raad · Artikel 81 RO-zaken · Belastingrecht

Hoge Raad, 14 februari 2025

Zaakgegevens

Op 14 februari 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14 februari 2025
Datum publicatie
9 januari 2025
Zaaknummer
23/00166
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:47
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

HR: 81.1 RO.

Procesgang

  1. Rechtbank Noord-Holland · 31 maart 2021

    ECLI:NL:RBNHO:2021:8760
  2. Gerechtshof Amsterdam · 1 december 2022

    ECLI:NL:GHAMS:2022:3794

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

  3. Hoge Raad · 14 februari 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:47

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 23/00166

Datum 14 februari 2025

ARREST

in de zaak van

[X] B.V. (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 1 december 2022, nrs. 21/00337 en 21/00338, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. HAA 19/3243 en HAA 19/3244) betreffende een aan belanghebbende over elk van de jaren 2013 tot en met 2017 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting en een over het jaar 2018 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting, en de daarbij gegeven beschikkingen inzake belastingrente.

1 Geding in cassatie

1.1

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

1.2

Belanghebbende heeft op 8 januari 2025 een verzoek om wraking van de raadsheer M.A. Fierstra gedaan. Bij beslissing van 7 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:183, heeft de Hoge Raad dat verzoek afgewezen.

2 Beoordeling van de klachten

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2025.

ECLI:NL:GHAMS:2022:3794.