Belastingrecht

Hoge Raad · Artikel 81 RO-zaken · Belastingrecht

Hoge Raad, 2 mei 2025

Zaakgegevens

Op 2 mei 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
2 mei 2025
Datum publicatie
1 mei 2025
Zaaknummer
24/02210
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:712
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

HR: 81.1 RO.

Procesgang

  1. Centrale Raad van Beroep · 2 mei 2024

    ECLI:NL:CRVB:2024:860
  2. Hoge Raad · 2 mei 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2025:712

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 24/02210

Datum 2 mei 2025

ARREST

in de zaak van

[X] (hierna: belanghebbende)

tegen

de RAAD VAN BESTUUR VAN DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 2 mei 2024, nrs. 23/174 BESLU en 23/175 WLZ, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nrs. AMS 22/264 en AMS 22/1933) betreffende een besluit inzake de vaststelling van de toepasselijke socialezekerheidswetgeving.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door R.S. Wijling, heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep beroep in cassatie ingesteld.

De Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2 Beoordeling van de klachten

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2025.

ECLI:NL:CRVB:2024:860.