Belastingrecht
Onderzoek Amber. Medeplegen afleveren van grote hoeveelheid heroïne (art. 2.B Opiumwet), medeplegen bewerken…
Hoge Raad, 13 mei 2025
ECLI:NL:HR:2025:734 · Hoge Raad · 13 mei 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/bestuursrecht/belastingrecht/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2025-734
Zaakgegevens
Op 13 mei 2025 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 13 mei 2025
- Datum publicatie
- 12 mei 2025
- Zaaknummer
- 23/01511
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2025:734
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Onderzoek Amber. Medeplegen afleveren van grote hoeveelheid heroïne (art. 2.B Opiumwet), medeplegen bewerken van grote hoeveelheid (25 kilo) heroïne (art. 2.B Opiumwet), deelname aan criminele drugsorganisatie (art. 11b Opiumwet), voorhanden hebben van munitie (art. 26.1 WWM), gewoontewitwassen (art. 420ter jo. 420bis.1.b Sr) en medeplegen vervoeren van ongeveer 165 kilo heroïne (art. 2.B Opiumwet). 1. Bewijsklacht afleveren heroïne t.a.v. heroïne. Kon hof aannemen dat inbeslaggenomen materiaal heroïne is? 2. Bewijsklacht bewerken heroïne t.a.v. medeplegen. 3. Beroep op kwalificatie-uitsluitingsgrond bij witwassen. 4. Bewijsklacht vervoeren van heroïne t.a.v. hoeveelheid heroïne. Kan uit bewijsvoering worden afgeleid dat het om “ongeveer 165 kilo” heroïne gaat? 5. Strafmotivering (gevangenisstraf van 72 maanden). Heeft hof niet tlgd. feit betrokken in strafmotivering?
HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 23/01465, 23/01510 P, 23/01513 P, 23/01593, 23/01604, 23/01614 en 23/01616 P en 23/01616 P en met 23/01582 (niet gepubliceerd).
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 18 februari 2025
ECLI:NL:PHR:2025:225Hoge Raad · 13 mei 2025deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2025:734
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/01511
Datum 13 mei 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 14 april 2023, nummer 23-002230-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat D.J.M. Dammers bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2 Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 mei 2025.