Belastingrecht

Hoge Raad · Artikel 81 RO-zaken · Belastingrecht

Hoge Raad, 26 juni 2026

Zaakgegevens

Op 26 juni 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26 juni 2026
Datum publicatie
26 juni 2026
Zaaknummer
24/03261
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:1061
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

HR: 81.1 RO

Procesgang

  1. Rechtbank Rotterdam · 16 mei 2023

    ECLI:NL:RBROT:2023:4774
  2. Gerechtshof Den Haag · 10 juli 2024

    ECLI:NL:GHDHA:2024:1775

    (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen

  3. Hoge Raad · 26 juni 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:1061

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 24/03261

Datum 26 juni 2026

ARREST

in de zaak van

[X] (hierna: belanghebbende)

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 10 juli 2024, nrs. BK-23/666 en BK-23/667, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (nrs. ROT 22/973 en 22/974) betreffende twee aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de parkeerbelasting van de gemeente Rotterdam.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door S.J.J.G. Fernandes, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.

2 Beoordeling van de middelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026.

ECLI:NL:GHDHA:2024:1775.