Belastingrecht

Hoge Raad · Artikel 81 RO-zaken · Belastingrecht

Hoge Raad, 11 september 2026

Zaakgegevens

Op 11 september 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11 september 2026
Datum publicatie
11 september 2026
Zaaknummer
25/02556
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:1457
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

HR: 81.1 RO

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 6 juni 2024

    ECLI:NL:RBDHA:2024:8931
  2. Gerechtshof Den Haag · 4 juni 2025

    ECLI:NL:GHDHA:2025:2789

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

  3. Hoge Raad · 11 september 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:1457

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 25/02556

Datum 11 september 2026

ARREST

in de zaak van

[X] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 4 juni 2025, nr. BK-24/683, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 23/975) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2018 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.

1 Geding in cassatie

1.1

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft ook incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Belanghebbende heeft schriftelijk zijn zienswijze over het incidentele beroep naar voren gebracht.

1.2

Belanghebbende heeft een nader stuk met bijlage ingediend. De Hoge Raad slaat op die stukken geen acht, aangezien de Hoge Raad belanghebbende niet in de gelegenheid heeft gesteld te repliceren. Voor zover belanghebbende heeft beoogd met deze stukken nieuwe feiten en bewijsmiddelen aan te voeren, wijst de Hoge Raad er nog op dat hij niet bevoegd is dergelijke gegevens in zijn beschouwingen te betrekken.

2. Beoordeling van de in het principale beroep in cassatie voorgestelde middelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3. Beoordeling van het in het incidentele beroep in cassatie voorgestelde middel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2026.

ECLI:NL:GHDHA:2025:2789.