Belastingrecht

Hoge Raad · Artikel 81 RO-zaken · Belastingrecht

Hoge Raad, 18 september 2026

Zaakgegevens

Op 18 september 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18 september 2026
Datum publicatie
17 september 2026
Zaaknummer
23/04183
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:1485
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

HR: 81.1 RO

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 23/04183

Datum 18 september 2026

ARREST

in de zaak van

[X] (hierna: belanghebbende)

tegen

  1. het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE DEN HAAG

  2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 24 oktober 2023, nr. SGR 23/1735 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 17 juli 2023.

1 Geding in cassatie

1.1

Belanghebbende, vertegenwoordigd door J.B. Elders, heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld.

1.2

Belanghebbende heeft op 19 juli 2026 verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.

1.3

De Minister van Justitie en Veiligheid, vertegenwoordigd door [P], heeft schriftelijk gereageerd op het hiervoor bedoelde verzoek en heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.

2 Beoordeling van de klachten

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de Rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure

3.1

Belanghebbende heeft op 19 juli 2026 de Hoge Raad verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure.

3.2

In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 26 oktober 2023. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn met meer dan zes maanden maar niet meer dan twaalf maanden. De Hoge Raad ziet geen aanleiding om aan deze overschrijding het door belanghebbende verzochte gevolg te verbinden, aangezien het financiële belang bij deze cassatieprocedure minder dan € 1.000 bedraagt. Het gaat in deze procedure namelijk slechts over nevenbeslissingen die bij de vaststelling van het financiële belang van de procedure buiten beschouwing dienen te blijven. Naar aanleiding van het verzoek wordt daarom volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

4 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2026.

Vgl. HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, rechtsoverwegingen 3.2.2, 3.3.1, 3.4.3 en 3.5.