Belastingrecht

Hoge Raad · Artikel 81 RO-zaken · Belastingrecht

Hoge Raad, 20 februari 2026

Zaakgegevens

Op 20 februari 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20 februari 2026
Datum publicatie
18 februari 2026
Zaaknummer
25/00745
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:257
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

HR: 81.1 RO.

Procesgang

  1. Centrale Raad van Beroep · 16 januari 2025

    ECLI:NL:CRVB:2025:119
  2. Hoge Raad · 20 februari 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:257

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 25/00745

Datum 20 februari 2026

ARREST

in de zaak van

[X] (hierna: belanghebbende)

tegen

de RAAD VAN BESTUUR VAN DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 januari 2025, nr. 23/510 WLZ, op het hoger beroep van de Sociale verzekeringsbank tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nr. 21/5697) betreffende een besluit van de Sociale verzekeringsbank ingevolge de Wet langdurige zorg.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door D. Schaap, heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd.

De Sociale verzekeringsbank, vertegenwoordigd door W.I. Wisman, heeft een verweerschrift ingediend.

2 Beoordeling van de klachten

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2026.

ECLI:NL:CRVB:2025:119.