Belastingrecht

Hoge Raad · Artikel 81 RO-zaken · Belastingrecht

Hoge Raad, 10 april 2026

Zaakgegevens

Op 10 april 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10 april 2026
Datum publicatie
9 april 2026
Zaaknummer
25/03597
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:588
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

HR: 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 26 augustus 2025

    ECLI:NL:GHARL:2025:5282
  2. Hoge Raad · 10 april 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:588

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 25/03597

Datum 10 april 2026

ARREST

in de zaak van

[X] (hierna: belanghebbende)

tegen

  1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

  2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 augustus 2025, nrs. BK-ARN 23/2404 tot en met 23/2406, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nrs. LEE 22/2311 tot en met 22/2313) betreffende aan belanghebbende over de jaren 2013, 2014 en 2016 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake belastingrente.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door [A], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Zij heeft daarbij bovendien verzocht om schadevergoeding.

Zowel de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P1], als de Minister van Justitie en Veiligheid, vertegenwoordigd door [P2], heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2 Beoordeling van de klachten

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Verzoek om schadevergoeding

Belanghebbende heeft in cassatie verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Voor zover dit verzoek betrekking heeft op de duur van de cassatieprocedure moet het worden afgewezen omdat de redelijke termijn sinds de indiening van het beroep in cassatie op 6 oktober 2025 niet is overschreden. Voor zover dit verzoek betrekking heeft op het tijdsverloop in de eerdere fasen van het geding, moet het worden opgevat als klacht tegen de uitspraak van het Hof. Daarvoor geldt wat in onderdeel 2 hiervoor is overwogen.

4 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

- verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.