Belastingrecht

Hoge Raad · Artikel 81 RO-zaken · Belastingrecht

Hoge Raad, 24 april 2026

Zaakgegevens

Op 24 april 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24 april 2026
Datum publicatie
24 april 2026
Zaaknummer
25/01176
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:727
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

HR: 81.1 RO.

Procesgang

  1. Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 23 januari 2023

    ECLI:NL:RBZWB:2023:351
  2. Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 15 juni 2023

    ECLI:NL:RBZWB:2023:4229
  3. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 5 maart 2025

    ECLI:NL:GHSHE:2025:598

    Bekrachtiging/bevestiging

  4. Conclusie A-G · 5 december 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:1326
  5. Conclusie A-G · 5 december 2025

    ECLI:NL:PHR:2025:1405
  6. Hoge Raad · 24 april 2026

    ECLI:NL:HR:2026:564
  7. Hoge Raad · 24 april 2026

    ECLI:NL:HR:2026:716
  8. Hoge Raad · 24 april 2026

    ECLI:NL:HR:2026:717
  9. Hoge Raad · 24 april 2026

    ECLI:NL:HR:2026:718
  10. Hoge Raad · 24 april 2026

    ECLI:NL:HR:2026:719
  11. Hoge Raad · 24 april 2026

    ECLI:NL:HR:2026:720
  12. Hoge Raad · 24 april 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:727

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 25/01176

Datum 24 april 2026

ARREST

in de zaak van

[X] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 5 maart 2025, nrs. 23/328 en 23/989, op het hoger beroep van belanghebbende tegen uitspraken van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 20/6246 en BRE 22/4985) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2016 en 2018 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake belastingrente.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.J. van Dam, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 5 december 2025 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van de middelen

De Hoge Raad heeft ook de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026.

ECLI:NL:GHSHE:2025:598. ECLI:NL:PHR:2025:1326, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2025:1405.