Belastingrecht

Hoge Raad · Artikel 81 RO-zaken · Belastingrecht

Hoge Raad, 1 mei 2026

Zaakgegevens

Op 1 mei 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
1 mei 2026
Datum publicatie
1 mei 2026
Zaaknummer
25/02744
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:737
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

HR: 81.1 RO.

Procesgang

  1. Rechtbank Noord-Nederland · 5 februari 2024

    ECLI:NL:RBNNE:2024:281
  2. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 1 juli 2025

    ECLI:NL:GHARL:2025:4107

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

  3. Hoge Raad · 1 mei 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:737

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 25/02744

Datum 1 mei 2026

ARREST

in de zaak van

GEMEENTE [X] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 juli 2025, nr. BK-ARN 24/543, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nr. LEE 22/1546) betreffende het door belanghebbende afgedragen bedrag aan loonheffingen over het tijdvak januari 2021.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door R. Bosma en N. Brameijer, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

2 Beoordeling van de middelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026.

ECLI:NL:GHARL:2025:4107. Vgl. HR 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:25.