Belastingrecht

Hoge Raad · Artikel 81 RO-zaken · Belastingrecht

Hoge Raad, 5 juni 2026

Zaakgegevens

Op 5 juni 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
5 juni 2026
Datum publicatie
5 juni 2026
Zaaknummer
24/03192
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:854
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

HR: 81.1 RO

Procesgang

  1. Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 6 april 2022

    ECLI:NL:RBZWB:2022:1580
  2. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 10 juli 2024

    ECLI:NL:GHSHE:2024:2226

    Bekrachtiging/bevestiging

  3. Hoge Raad · 5 juni 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:854

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 24/03192

Datum 5 juni 2026

ARREST

in de zaak van

[X] B.V. (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 10 juli 2024, nrs. 22/1027 tot en met 22/1030 en 22/1049, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 18/7490 tot en met 18/7494) betreffende de ten aanzien van belanghebbende voor de jaren 2011 en 2014 gegeven boetebeschikkingen.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.C.J. Schoenmakers, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

2 Beoordeling van de middelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer E.F. Faase als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.

ECLI:NL:GHSHE:2024:2226.