Belastingrecht

Hoge Raad · Artikel 81 RO-zaken · Belastingrecht

Hoge Raad, 12 juni 2026

Zaakgegevens

Op 12 juni 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12 juni 2026
Datum publicatie
12 juni 2026
Zaaknummer
25/02193
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:923
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

HR: 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Den Haag · 8 november 2022

    ECLI:NL:GHDHA:2022:2329
  2. Hoge Raad · 4 oktober 2024

    ECLI:NL:HR:2024:1394
  3. Gerechtshof Amsterdam · 7 mei 2025

    ECLI:NL:GHAMS:2025:1460
  4. Hoge Raad · 12 juni 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:923

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 25/02193

Datum 12 juni 2026

ARREST

in de zaak van

[X] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 7 mei 2025, nrs. 24/3469 tot en met 24/3472, betreffende ten aanzien van belanghebbende gegeven boetebeschikkingen.

1 Het eerste geding in cassatie

Bij arrest van de Hoge Raad van 4 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1394, is vernietigd de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag, nrs. BK-22/00072 tot en met BK-22/00075, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Amsterdam (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

2 Het tweede geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door A. Reddoub, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

3 Beoordeling van de middelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer E.F. Faase als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026.

ECLI:NL:GHAMS:2025:1460. ECLI:NL:GHDHA:2022:2329.