Belastingrecht

Hoge Raad · Cassatie · Belastingrecht

Zaakgegevens

Op 25 juni 1928 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
25 juni 1928
Datum publicatie
14 juli 2025
Zaaknummer
3803
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:1928:446
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 28 mei 1928

    ECLI:NL:PHR:1928:4
  2. Hoge Raad · 25 juni 1928deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:1928:446

Uitspraak

No. 3803.

De Hooge Raad der Nederlanden,

Gezien het beroepschrift in cassatie van de Naamlooze Vennootschap " [X] ", gevestigd te [Z], tegen de uitspraak van den Raad van Beroep voor de directe belastingen I te [Z] de dato 28 Januari 1928, betreffende haar aanslag in de Dividend & Tantièmebelasting over haar boekjaar 1925;

Gezien de stukken;

Gelet op de schriftelijke conclusie van den Advocaat - Generaal Besier, namens den Procureur - Generaal, strekkende tot verwerping van het beroep;

Overwegende dat aan belanghebbende over genoemd boekjaar een aanslag in de Dividend en Tantièmebelasting is opgelegd onder meer naar een uitkeering aan aandeelhouders van f 48000 .-;

Overwegende dat belanghebbende die uitkeering, als niet uit de winst geschied niet belastbaar acht, waartoe zij heeft aangevoerd dat zij heeft uitgegeven f 1.600.000 .- volgestorte aandeelen, terwijl zij bij een aandeelenuitgifte in 1920 f 2.200.000 .- aan agio heeft ontvangen, zoodat voor de toepassing der Dividend & Tantièmebelasting haar kapitaal f3.800.000 bedraagt, waartegenover haar zuiver vermogen op 31 December 1925 slechts f 2.095.285.84 bedroeg, en derhalve over het jaar 1925 eenige winstuitdeeling niet heeft kunnen geschieden;

Overwegende dat de Inspecteur hiertegen heeft opgemerkt dat op de balans per 31 December 1925 uit het reservefonds, waarin de evengenoemde agio was opgenomen, een bedrag van f 2.200.354.10 voor afschrijving op schepen is gebezigd, dat daardoor de indertijd ontvangen agio een bestemming heeft gekregen en dus niet meer in de Naamlooze Vennootschap als kapitaal aanwezig is, zoodat het kapitaal op genoemden datum op slechts f 1.600.000 .- te stellen was;

Overwegende dat de Hooge Raad bij arrest van 14 December 1927 de uitspraak, welke de Raad van Beroep den 21en Juni 1927 in deze zaak had gegeven, heeft vernietigd en de zaak naar den Raad heeft teruggewezen om alsnog de juistheid van deze bewering van den Inspecteur te onderzoeken;

Overwegende dat de Raad bij dat onderzoek heeft bevonden dat inderdaad de indertijd verkregen agio op de balans per 31 December 1925 eene bestemming heeft gekregen door daaruit de waardevermindering der schepen af te schrijven en dat dientengevolge het kapitaal op dien datum slechts fl.600.000 .- bedroeg, op welke gronden de Raad den aanslag heeft gehandhaafd;

Overwegende dat tegen deze beslissing als middelen van cassatie zijn aangevoerd:

1o. Schending, althans verkeerde toepassing van artikel 16 der Wet van 19 December 1914 ( Staatsblad No. 564) in verband met de artikelen 2,5 en 6 der Wet op de Dividend- en Tantièmebelasting 1917, dóordien de Raad van Beroep bij zijn beslissing van de vraag of door ondergetekende over haar boekjaar 1925 een uitdeeling uit winst is gedaan, geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid, dat tot de overboeking, waarbij de rekening " Stoomschepen " gecrediteerd werd voor een bedrag van f 2.200.354,10 tegenover de rekening " Reservefonds ", blijkens de vierde overweging van het arrest de dato 14 December 1927 en blijkens pagina 4 van het jaarverslag eerst werd besloten in de vergadering van aandeelhouders de dato 7 Mei 1926, zoodat dit besluit, waar de Inspecteur zich op beroept, posterieur is aan het boekjaar 1925. Mocht deze overboeking dus al tot gevolg hebben, dat hierdoor het gestort en nog niet terugbetaald kapitaal als vergelijkingscijfer vermindert, met deze vermindering mag voor het boekjaar 1925 nog geen rekening gehouden worden;

2o. Schending, althans verkeerde toepassing van de artikelen 2, 5 en 6 der Wet op de Dividend- en Tantièmebelasting 1917, doordat de Raad van Beroep de door Uw Raad in het arrest de dato 14 December 1927 gegeven opdracht, om nader te onderzoeken en te beslissen " over des Inspecteurs betoog, dat het indertijd verkregen agio door daaruit de waardevermindering der schepen af te schrijven, een bestemming heeft verkregen en uit het kapitaal verdwenen is, zoodat het kapitaal weder met het als agio verkregen bedrag verminderd is " àl te letterlijk heeft opgevat, door zijn beslissing te baseeren op het resultaat van het onderzoek of de overboeking van Reserverekening naar de rekening " Stoomschepen " inderdaad heeft plaats gehad, terwijl het toch de bedoeling van den Hoogen Raad geweest is, om te onderzoeken of aan de overboeking de beteekenis zou moeten toegekend worden als door den Inspecteur gewenscht, waar het doel van het onderzoek toch is na te gaan of er winst is of verlies;

Overwegende betreffende het eerste middel:

dat dit middel het ten onrechte doet voorkomen alsof de daarin genoemde datum van het besluit tot afschrijving zou vaststaan, maar dat, al ware dit anders, zulks belanghebbende toch niet zou kunnen baten; dat toch, waar, blijkens 's Raads feitelijke beslissing, op de balans per 31 December 1925 de bestemming van de agio voor afschrijving tot uitdrukking is gekomen, het er niet toe doet, wanneer het besluit tot vaststelling van de balans is genomen;

dat immers zoodanig besluit krachtens zijn aard tot den balansdatum terugwerkt en terugwerken moet;

Overwegende dat het tweede middel feitelijken grondslag mist, daar de Raad van Beroep het arrest van den Hoogen Raad volkomen juist heeft opgevat;

dat toch de Raad slechts te onderzoeken had of inderdaad, gelijk de Inspecteur had gesteld, de agio, doordat deze tot afschrijving was gebezigd, een bepaalde bestemming had gekregen, omdat, indien dit zoo was, de agio daardoor als zoodanig uit het kapitaal zou zijn verdwenen en dit tot f 1.600.000 .- zou zijn teruggebracht, waaruit dan tevens in verband met het bedrag van het zuiver vermogen der Naamlooze Vennootschap de aanwezigheid van voldoende winst tot het doen der uitkeering van f 48.000 .- zou volgen;

dat de Raad dit ook heeft onderzocht en - gelijk hij doen mocht - op grond van belanghebbende's eigen boekingen heeft beslist dat de feitelijke voorstelling door den Inspecteur van het gebeurde gegeven juist was;

Verwerpt het beroep.

Gedaan bij de Heeren Fentener van Vlissingen, President, Visser, van den Dries, Kirberger en Polak, Raden, in bijzijn van den Substituut-Griffier Somer, en door, den President voornoemd uitgesproken ter Raadkamer van den vijf en twintigsten Juni 1900 Acht en Twintig.