Belastingrecht

Hoge Raad · Cassatie · Belastingrecht

Zaakgegevens

Op 25 oktober 1939 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
25 oktober 1939
Datum publicatie
14 juli 2025
Zaaknummer
8432
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:1939:247
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Uitspraak

No 8432.

DE HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN,

Gezien het beroepschrift in cassatie van [X] N.V., te [Z], tegen de uitspraak van den Raad van Beroep voor de Directe Belastingen te AMSTERDAM van 30 Maart 1939 betreffende een haar opgelegden aanslag in de Dividend- en Tantièmebelasting over haar boekjaar 1937;

Gezien de stukken;

Overwegende dat aan belanghebbende over haar boekjaar 1937, in afwijking van haar negatieve aangifte, een aanslag in de Dividend- en Tantièmebelasting is opgelegd naar een belastbare uitdeeling aan aandeelhouders van f 1400 .-;

dat de Inspecteur daarbij heeft aangenomen, dat van het bedrag van f 1999.92, dat belanghebbende over haar genoemd boekjaar heeft betaald aan [A], directeur en houder van alle of nagenoeg alle aandeelen van belanghebbende, f 1400 .- moet worden aangemerkt als uitdeeling aan genoemden [A] in zijn hoedanigheid van aandeelhouder;

dat belanghebbende voor den Raad van Beroep in de eerste plaats heeft staande gehouden, dat van voormeld bedrag van f 1992.92 een bedrag van f 1000 .- is te beschouwen als belooning voor de werkzaamheden van [A] als directeur; dat echter de Raad van Beroep bij de bestreden uitspraak op hier niet van belang zijnde gronden heeft beslist, dat het aan [A] uitbetaalde bedrag slechts tot een beloop van f 418.13 kan worden aangemerkt als belooning voor zijn werkzaamheden en overigens moet gelden als een uitdeeling, die hij in zijn hoedanigheid van aandeelhouder heeft genoten;

dat de Raad van Beroep voorts naar aanleiding van een desbetreffend verweer van belanghebbende heeft onderzocht, of in belanghebbende voldoende winst aanwezig was om daaruit een uitdeeling van f 1400. - te doen en heeft beslist, dat zulks het geval was, daarbij overwegende :

"dat de Inspecteur in het vertoogschrift heeft gesteld, dat het bedrag, dat [A] boven f 418.13 heeft ontvangen, geheel door winst was gedekt, daar weliswaar de op de balans als actief voorkomende post van f 1350 .- voor oprichtingskosten geheel als waardeloos is te beschouwen, doch daarentegen de verkoopwaarde der onroerende goederen de boekwaarde van f 51230 .- aanmerkelijk overtrof;

"dat de Raad omtrent de waarde der onroerende goederen van belanghebbende op 31 December 1937 een beëedigd deskundige heeft geraadpleegd, die van zijn bevindingen een schriftelijk verslag heeft uitgebracht, waarvan het oorspronkelijk bij de stukken is gevoegd en aan elk der partijen een afschrift is toegezonden;

"dat naar aanleiding van dit verslag beide partijen overeenkomstig het bepaalde bij art.15 bis der wet van 19 December 1914,Stbl.Nº 564,in de gelegenheid zijn gesteld nader van haar gevoelen te doen blijken, van welke gelegenheid beide partijen hebben gebruik gemaakt;

"dat belanghebbendes gemachtigde daarop desgevraagd heeft verzocht andermaal haar standpunt mondeling in ,'s Raads vergadering te mogen toelichten, waarop partijen wederom in 's Raads vergadering zijn gehoord;

"dat van de zijde van belanghebbende in het nader geschrift is gesteld, dat de onroerende goederen, die 's Raads deskundige op f 59600. - heeft gewaardeerd naar den toestand van 31 December 1937, bij hare oprichting op 8 Maart 1933 in belanghebbende zijn ingebracht voor f 48652.50, terwijl zij destijds een waarde hadden van f 60652.50; dat dan ook over laatstgemeld bedrag registratierecht is geheven en betaald, waaraan de gemachtigde de gevolgtrekking heeft verbonden, dat de aandeelen van belanghebbende zijn volgestort met een agio van f 12000 .-;

"dat de Inspecteur heeft betwist, dat de waardeering, die voor de heffing van het registratierecht heeft gegolden, ten deze in aanmerking kan komen, vermits de inbreng voor niet meer dan f 48652.50 is geschied ;

"dat de Inspecteur heeft overgelegd een brief aan hem gericht door [A] van 28 April 1933 waarvan de aanvang luidt :

"" Ter voldoening aan Uw verzoek van 10 dezer om opheldering van het verschil volgens U bestaande tusschen mijn vermogensaangifte 1930/1 en 1931/2 met de waarde mijner vaste goederen volgens de akte van oprichting der N. V. [X] gevestigd te [Z] heb ik de eer U mede te deelen, dat ter volstorting van de door mij genomen 59 aandeelen van f 500 .- in die vennootschap zijn ingebracht de mij toebehoorende U bekende vaste goederen voor f 48652.50, mijn inboedel voor

f 1347.50 samen

f 50000 .- ,

terwijl de vennootschap voor haar rekening nam de op die goederen rustende hypothecaire schulden ad

f 20500 .-

blijft

f 29500 .-

Gemeld bedrag van f 48652.50 is volgens mij de verkoopwaarde dier goederen, vandaar dat ook voor dit bedrag inbreng plaats vond. Uitsluitend en alleen op advies van notaris Ittmann, voor wien de akte van oprichting der voormelde vennootschap is verleden, werd door mij op 24 Maart j.l. een verklaring ingestuurd, waarin voor de berekening van het registratierecht de waarde van het vast goed met f 12000 .- werd verhoogd. Notaris Ittmann was bevreesd, dat de fiscus een hoogere waarde aan het goed kon toekennen en was beducht voor een gerechtelijke waardeering, welke, zoo de fiscus gelijk zou hebben, mij tot betaling van hooge boete en kosten eener waardeering zou nopen. Hij adviseerde de verhooging, door te zeggen: U weet nu met welk bedrag deze zaak af is, terwijl anders dit valt af te wachten.

Geenszins mag hieruit worden afgeleid, dat dit de werkelijke verkoopwaarde der goederen is. Een bedrag van f 60652.50 is perséte hoog, gezien de toestand ervan"" .

"dat uit dezen brief blijkt, dat ten tijde van de oprichting van belanghebbende door de oprichters aan haar onroerende goederen geen hoogere waarde is toegekend dan f 48652.50, waarmede geheel in overeenstemming is, dat [A], tegenover een mogelijke hoogere waarde in geenerlei vorm een contrapraestatie van belanghebbende heeft ontvangen;

"dat hieruit volgt, dat de hoogere waarde van belanghebbendes onroerende goederen boven de boekwaarde daarvan als winst van belanghebbende in aanmerking moet worden genomen;

"dat de Raad met inachtneming van het verslag van zijn deskundige aan de onroerende goederen van belanghebbende op 31 December 1937 een waarde toekent van f 59600 .- , waaruit volgt, dat op dat tijdstip in belanghebbende voldoende winst aanwezig was om daaruit een uitdeeling van f 1400. - te doen;"

dat mitsdien de Raad van Beroep het beroep ongegrond heeft geoordeeld en den opgelegden aanslag heeft gehandhaafd;

Overwegende dat tegen de bestreden uitspraak als middelen van cassatie zijn opgeworpen:

Verkeerde toepassing van artikel 2 der Wet op de Dividend- en Tantièmebelasting 1917

Subsidiair, schending van de artikelen 15 bis en 16 der Wet van 19 December 1914, Staatsblad nº 564; dat ter toelichting van de middelen in hoofdzaak is aangevoerd:

dat de Raad van Beroep zijne uitspraak slechts doet steunen op een gedeelte van den in de uitspraak vermelden brief van 28 April 1933, terwijl die brief in zijn geheel beschouwd niet de conclusie van den Raad van Beroep wettigt; dat bij voldoende onderzoek zou zijn gebleken, dat de waarde van de in belanghebbende ingebrachte onroerende goederen ten tijde van den inbreng ten minste f 60652 .- bedroeg, hetgeen tot de gevolgtrekking moest leiden, dat bij de oprichting f 12000 .- agio in belanghebbende aanwezig was; dat de Raad van Beroep de werkelijke waarde van den inbreng had moeten nemen voor de beoordeeling of bij belanghebbende winst aanwezig was;

dat bovendien de Raad van Beroep niet zijn uitspraak had mogen gronden op den door den Inspecteur ter zitting overgelegden brief, nu aan belanghebbende geen inzage daarvan is verstrekt en evenmin aan belanghebbende minstens vijf dagen tevoren een afschrift daarvan is toegezonden;

Overwegende dienaangaande:

dat de Raad van Beroep heeft vastgesteld, dat de oprichters van belanghebbende aan de bij de oprichting ingebrachte onroerende goederen geen hoogere waarde hebben toegekend dan f 48652.50;

dat, nu derhalve bedoelde onroerende goederen op den grondslag van genoemde waarde als storting op de daartegen uitgegeven aandeelen zijn aanvaard, de Raad van Beroep terecht reeds uit dien hoofde heeft beslist, dat de eventueele meerdere waarde ten tijde van den inbreng niet tot het kapitaal van belanghebbende kan worden gerekend;

dat toch voor de heffing van de Dividend- en Tantièmebelasting agio niet als kapitaal kan worden aangemerkt, indien het niet als zoodanig is overeengekomen en in de boeken van de betrokken naamlooze vennootschap is opgenomen en in stand gehouden;

dat hieruit tevens volgt, dat belanghebbende bij het subsidiaire middel geen belang heeft;

dat immers, al zou het subsidiaire bezwaar gegrond zijn en al zou komen vast te staan, dat de waarde van de ingebrachte onroerende goederen ten tijde van den inbreng meer heeft bedragen dan f 48652.50 en de oprichters zich daarvan bewust zijn geweest, dit belanghebbende niet zou kunnen baten, nu in elk geval als

vaststaande mag worden aangenomen, dat ter zake geen agio als kapitaal in de boeken van belanghebbende is opgenomen en in stand gehouden;

dat derhalve de aangevoerde middelen niet tot cassatie kunnen leiden;

Verwerpt het beroep.

Gedaan bij de Heeren Kosters, Vice-President, van den Dries, Kranenburg, Donner en Sinninghe Damsté, Raden, en door voornoemden Vice-President uitgesproken ter Raadkamer van den vijf en twintigsten October 1900 Negen en Dertig, in tegenwoordigheid van den Substituut. Griffier Somer.