Belastingrecht
Inkomstenbelasting. Dictumkwestie. Art. 33, lid 4, Besluit IB 1941. Uitleg van het begrip verzekerde som…
ECLI:NL:HR:1956:AY2149 · Hoge Raad · 17 oktober 1956
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/bestuursrecht/belastingrecht/cassatie/ecli-nl-hr-1956-ay2149
Zaakgegevens
Op 17 oktober 1956 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 17 oktober 1956
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 12 815
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Belastingrecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:1956:AY2149
Samenvatting
Inkomstenbelasting. Dictumkwestie. Art. 33, lid 4, Besluit IB 1941. Uitleg van het begrip verzekerde som. Taak belastingrechter bij ambtshalve vermindering aanslag tijdens de loop van de procedure.
Uitspraak
17 October 1956
No. 12. 815 .-
D.
DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN,
Gezien het beroepschrift in cassatie van [X] te [Z] tegen de uitspraak van den Raad van Beroep voor de Directe Belastingen te Breda van 17 Februari 1956 betreffende den hem opgelegden aanslag in de inkomstenbelasting over het jaar 1953;
Gezien de stukken;
Overwegende dat aan belanghebbende een aanslag in de inkomstenbelasting over het jaar 1953 werd opgelegd, berekend naar een zuiver inkomen van f.134.876, -;
dat op het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift de Inspecteur den aanslag nader heeft geregeld naar een zuiver inkomen van f.126.775, -;
dat belanghebbende zich daarop heeft gewend tot den Raad van Beroep;
dat de Inspecteur vervolgens nog ambtshalve den aanslag heeft verminderd tot een, berekend naar een zuiver inkomen van f.125.692, -;
Overwegende dat de Raad van Beroep heeft overwogen:
"dat het enig geschilpunt hetwelk partijen verdeeld houdt, betreft de vraag of onder "verzekerde som" in artikel 33, vierde lid, van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 ook dient te worden verstaan afkoopsom, casu quo reële uitkering;
dat, naar luid van evenbedoeld artikel het bedrag van de in artikel 31, eerste lid, 4º, bedoelde interessen voor elk vol jaar van de looptijd ener verzekering wordt gesteld op drie kwart ten honderd van de verzekerde som, met dien verstande, dat niet meer dan 25 jaren in aanmerking worden genomen;
dat volgens appellant nu een bedrag van f. 3.693,-, hetwelk hij in 1953 heeft ontvangen als afkoopsom van een verzekering bij de "Amstleven" is aan te merken als "verzekerde som" in de zin van artikel 33, vierde lid, van het Besluit, zulks evenwel naar 's Raads oordeel ten onrechte;
dat toch - daargelaten, dat een uitleg, als door appellant voorgestaan, moeilijk is te verenigen met de redactie van het vierde lid van meergenoemd artikel, waarin alleen gesproken wordt over "de verzekerde som", waaronder niet anders kan worden verstaan dan de som, welke bij normale afwikkeling van de verzekering wordt uitgekeerd, - alle twijfel dienaangaande wordt buitengesloten bij raadpleging van de Toelichting en leidraad bij het besluit op de Inkomstenbelasting 1941, uitgegeven door de Secretaris-Generaal van het Departement van Financiën bij diens beschikking d.d. 29 augustus 1941, nummer 178, welk stuk in de toen heersende bezettingsomstandigheden geacht kan worden de bedoelingen van de besluitgever weer te geven, zijnde in paragraaf 38, vijftiende lid, van de leidraad met zoveel woorden tot uitdrukking gebracht dat, indien de verzekering wordt beëindigd tegen een afkoopsom, deze laatste dan niet de verzekerde som is, doch die, welke in de polis is voorzien, of, indien verschillende sommen voor verschillende gevallen in de polis zijn voorzien, de som welke verzekerd is voor het geval (overlijden), dat zich ten tijde van de afkoop had kunnen voordoen;
dat de door appellant voorgestane opvatting dan ook volstrekt indruist tegen de aan duidelijkheid niets te wensen overlatende bedoeling van het Besluit en mitsdien niet kan worden aanvaard;"
dat de Raad van Beroep op grond hiervan de ambtshalve genomen beschikking van den Inspecteur heeft gehandhaafd;
Overwegende dat belanghebbende als middel van cassatie voorstelt:
Verkeerde toepassing van artikel 33, lid 4, juncto artikel 31, lid 1, no.4, van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941, welk middel als volgt is toegelicht:
De Raad van Beroep ziet over het hoofd dat artikel 33, lid 4, van het Besluit verwijst naar artikel 31, lid 1, no.4, en niet naar artikel 33, lid 1. Artikel 33, lid 1, brengt de afkoopsommen fictief onder artikel 31, lid 1, no.4; bijgevolg moet ook artikel 33, lid 4, met inachtneming van deze fictie op artikel 33, lid 1, worden toegepast, hetgeen met zich meebrengt dat onder "verzekerde som" in artikel 33, lid 4, in casu "afkoopsom" moet worden verstaan.
Ten onrechte hecht de Raad aan een wetshistorische interpretatie doorslaggevende betekenis. Wanneer men rekening houdt met de bepaling van artikel 60, lid 5, van het Besluit wordt het standpunt uit de Leidraad verklaarbaar, althans voor de eerste jaren na de totstandkoming van het Besluit. In deze eerste jaren heeft een wetshistorische interpretatie haar belangrijkste betekenis.
Overigens biedt de Leidraad ook steun aan de andere opvatting. Zo vermeldt paragraaf 36, dat de regeling in het Besluit nagenoeg geheel ontleend is aan het ontwerp tot heffing van een nationale inkomstenen winstbelasting: In artikel 19, lid 4, van dit ontwerp wordt eveneens het rentebestanddeel over de afkoopsom berekend en niet over de mogelijke uitkering.
Een teleologische interpretatie van artikel 33, lid 4, juncto artikel 31, lid 1, no.4, van het Besluit leidt eveneens tot een andere conclusie.
Bij normale beëindiging van het contract geeft de regel van artikel 33, lid 4, een redelijke uitkomst, hetgeen meestal niet gezegd kan worden bij de abnormale beëindiging: de afkoop. Zo is in het onderhavige geval over de loop der jaren veel meer aan premie betaald dan de afkoopsom bedroeg, zodat in feite geen rente is genoten. Wanneer men derhalve bij afkoop de interest over de afkoopsom berekent, dan bereikt men dat, al berust de interestberekening op een fictie, de realiteit toch niet geheel uit het oog wordt verloren .;
Overwegende hieromtrent:
dat ingevolge artikel 31, lid 1, onder 4°, van het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941 als vruchten van vermogen worden beschouwd interessen, begrepen in kapitaaluitkeringen uit levensverzekering, terwijl artikel 33, lid 1, van dit Besluit tot deze kapitaaluitkeringen ook afkoopsommen rekent;
dat artikel 33, lid 4, het bedrag van deze in kapitaaluitkeringen en dus ook in afkoopsommen begrepen interessen stelt op driekwart ten honderd van de verzekerde som voor elk vol jaar van den looptijd der verzekering; dat de betekenis van den term verzekerde som op zich zelf zowel als in het verband, waarin hij in deze bepaling wordt gebruikt, niet toelaat, in geval van afkoop de afkoopsom als verzekerde som aan te merken, hetgeen ook niet in overeenstemming zou zijn met de bedoeling van den besluitgever, voorzover deze uit de in de uitspraak van den Raad van Beroep vermelde uiteenzetting in den leidraad kan worden afgeleid;
Overwegende dat het middel derhalve niet gegrond is;
Overwegende ambtshalve:
dat het bij den Raad van Beroep ingestelde beroep was gericht tegen de door den Inspecteur op belanghebbendes bezwaarschrift tegen den aanslag gegeven beschikking, waarbij die aanslag nader werd geregeld naar een zuiver inkomen van f.126.775, -;
dat, hangende het proces voor den Raad van Beroep, de Inspecteur ambtshalve den aanslag nader heeft geregeld naar een zuiver inkomen van f.125.692, -;
dat de Raad blijkens de uitspraak tot de conclusie is gekomen, dat de aanslag, zoals deze ambtshalve nader was geregeld, in stand diende te blijven;
dat de Raad derhalve de door den Inspecteur op het bezwaarschrift van belanghebbende gegeven beschikking, waarvan beroep, had behoren te vernietigen, wijl daarbij van een hoger zuiver inkomen is uitgegaan dan bij de nadere ambtshalve gegeven beschikking, terwijl de Raad den aanslag, zoals deze door den Inspecteur ambtshalve nader werd geregeld, had moeten handhaven;
Vernietigt de bestreden uitspraak van den Raad van Beroep voor de Directe Belastingen te Breda, zomede de door den Inspecteur op het bezwaarschrift van belanghebbende gegeven beschikking;
Handhaaft den aanslag, zoals deze door den Inspecteur ambtshalve nader is geregeld.
Gedaan bij de Heren Nypels, Vice-President, van Rijn van Alkemade, Wiarda, van der Loos en Houwing, Raden, en door voornoemden Vice-President uitgesproken ter Raadkamer van den zeventienden October 1900 zes en vijftig, in tegenwoordigheid van den Substituut-Griffier Verstraaten.