Belastingrecht
Hoge Raad · Cassatie · Belastingrecht
Hoge Raad, 26 april 1995
ECLI:NL:HR:1995:AA1582 · Hoge Raad · 26 april 1995
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/bestuursrecht/belastingrecht/cassatie/ecli-nl-hr-1995-aa1582
Zaakgegevens
Op 26 april 1995 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 26 april 1995
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 30113
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:1995:AA1582
Samenvatting
Voor deze uitspraak is nog geen samenvatting beschikbaar.
Uitspraak
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (Duitsland) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te - Arnhem van 10 februari 1994 betreffende na te melden aan hem over het jaar 1984 opgelegde aanslag tot navordering van inkomstenbelasting.
1. Aanslag, navorderingsaanslag en geding voor het Hof Aan belanghebbende is aanvankelijk voor het jaar 1984 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 85.000,--. Vervolgens is hem over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 164.643,--, met een verhoging van 100 percent van de nagevorderde belasting, welke verhoging bij besluit van de Inspecteur niet is kwijtgescholden. Belanghebbende is van de navorderingsaanslag en het besluit geen kwijtschelding te verlenen in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft de navorderings- aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 164.643,-- met een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting van ƒ 46.527,-- en een verhoging van 100 percent en het heeft het besluit geen kwijtschelding te verlenen bevestigd.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij twee middelen van cassatie voorgesteld. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen en ambtshalve aanwezig bevonden grond voor cassatie. 3.1. Het eerste middel kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 3.2. Het tweede middel behoeft geen bespreking. Belanghebbende is, naar de Hoge Raad is gebleken, bij het in kracht van gewijsde gegane arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 28 juni 1994 vrijgesproken van de hem telaste gelegde overtreding van artikel 68,lid 1, letter a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). De stukken van het geding, waaronder een rapport van de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst, laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat de verhoging haar grond vindt in de feiten, ter zake waarvan het arrest is gewezen. Ingevolge het bepaalde in artikel 18, lid 3, van de AWR vervalt de verhoging. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens voor wat betreft de beslissing omtrent het griffierecht, alsmede het besluit van de Inspecteur geen kwijtschelding te verlenen, vermindert de navorderingsaanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 164.643,-- met een verrekening wegens elders belast inkomen van ƒ 46.527,--, zonder verhoging en gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het voor de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 300,--
Dit arrest is op 26 april 1995 vastgesteld door de raadsheer Urlings als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van der Vegt, en op die datum in het openbaar uitgesproken.