Belastingrecht

Gem.wet 273(3) oud. Waarde in het economisch verkeer. Verontreinigde grond. Vergelijkingsobjecten.

Hoge Raad, 29 april 1998

Zaakgegevens

Op 29 april 1998 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29 april 1998
Datum publicatie
8 april 2013
Zaaknummer
33287
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:1998:ZC7052
E-mail

Samenvatting

Gem.wet 273(3) oud. Waarde in het economisch verkeer. Verontreinigde grond. Vergelijkingsobjecten.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 7 maart 1997

    ECLI:NL:GHAMS:1997:AA4357
  2. Hoge Raad · 29 april 1998deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:1998:ZC7052

Uitspraak

Nr. 33.287

29 april 1998

TB

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 7 maart 1997 betreffende na te melden aan hem voor het jaar 1994 opgelegde aanslagen in de onroerend-goedbelastingen van de gemeente Het Bildt.

1. Aanslagen en bezwaar

Aan belanghebbende zijn voor het jaar 1994 wegens het genot krachtens zakelijk recht en het feitelijke gebruik van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als a-straat 1 te Z, op één aanslagbiljet verenigde aanslagen in de onroerend-goedbelastingen van de gemeente Het Bildt opgelegd naar een heffingsgrondslag van f 270.000,--, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van Burgemeester en Wethouders (hierna: B en W, door het Hof aangeduid als de Inspecteur) zijn gehandhaafd.

2. Tot verwijzing leidend geding

Belanghebbende is van die uitspraak in beroep gekomen bij het Gerechtshof te Leeuwarden, dat de uitspraak van B en W heeft bevestigd. De uitspraak van dit Hof van 12 mei 1995 is op het beroep van belanghebbende bij arrest van de Hoge Raad van 9 augustus 1996, nr. 31328, BNB 1996/335, vernietigd met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dat arrest.

3. Geding na verwijzing

Het Gerechtshof te Amsterdam - verder: het Hof - heeft de uitspraak van B en W bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

4. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

B en W hebben een vertoogschrift ingediend.

5. Beoordeling van de middelen

5.1. Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur - op wie de last rust deze stelling te bewijzen - voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat op 1 januari 1990 de aanwezigheid van asbesthoudende materialen nog geen aanwijsbare waardedrukkende invloed had op de waarde van de onderhavige onroerende zaak.

5.2. Het Hof heeft hiervoor mede redengevend geoordeeld dat belanghebbende de gemotiveerde stelling van de Inspecteur dat in vergelijkbare omstandigheden veel kopers - nog een substantiële groep - prijzen betaalden waaruit geen waardedrukkende invloed bleek, onvoldoende heeft betwist. Met deze redengeving heeft het Hof kennelijk tot uitdrukking gebracht dat naar zijn oordeel op grond van transacties in vergelijkbare omstandigheden aannemelijk is dat er op de peildatum voldoende gegadigden voor de onroerende zaak van belanghebbende waren die geen waardedrukkende invloed aan de aanwezigheid van asbesthoudende materialen toekenden, om te kunnen aannemen dat bij de veronderstelde koop waarvan in dit verband moet worden uitgegaan, de door de gemeente geschatte waarde, waarbij die waardedrukkende invloed niet was aangenomen, als koopprijs zou kunnen zijn bedongen.

5.3. De onder 5.1 en 5.2 vermelde oordelen kunnen, als berustende op de aan het Hof voorbehouden waardering van de bewijsmiddelen en geen nadere motivering behoevende, niet met vrucht in cassatie worden bestreden. De tegen deze oordelen gerichte middelen falen derhalve.

6. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

7. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 29 april 1998 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond, Pos, Beukenhorst en Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Barendse, en op die datum in het openbaar uitgesproken.