Belastingrecht
Hoge Raad · Cassatie · Belastingrecht
ECLI:NL:HR:2001:AB0165 · Hoge Raad · 21 februari 2001
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/bestuursrecht/belastingrecht/cassatie/ecli-nl-hr-2001-ab0165
Zaakgegevens
Op 21 februari 2001 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 21 februari 2001
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 35877
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Belastingrecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2001:AB0165
Uitspraak
Nr. 35877
21 februari 2001
RP
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 20 december 1999, nr. P98/0746, betreffende na te melden beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken.
1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof
Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikking van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort (hierna: B en W) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als a-straat 1 te Z, voor het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000 vastgesteld op f 380.000, welke beschikking, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de chef bureau Heffingen van de gemeente Amersfoort (hierna: de Chef) is gehandhaafd.
Belanghebbende is van die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Chef bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht.
B en W hebben een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. Het Hof heeft geoordeeld dat het de wetgever vrijstond te kiezen voor een systeem, dat inhoudt dat wordt gewaardeerd naar de staat van het object bij het begin van het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin de oplevering heeft plaatsgevonden. Het heeft daartoe overwogen dat met de oplevering van een woning vaak nog niet de uiteindelijke staat is bereikt, en dat het aansluiten bij vaste peildata alleszins gerechtvaardigd is, mede om geschillen te voorkomen over de vraag op welke datum een object moet worden aangemerkt als voltooid.
In dit oordeel en deze redengeving ligt besloten het oordeel dat voor een ongelijke behandeling van gelijke gevallen die zich in voormeld systeem kan voordoen, de uitvoerbaarheid van de wetgeving een objectieve en redelijke rechtvaardiging biedt. Dit oordeel is juist. Het tweede middel bestrijdt dit oordeel derhalve vergeefs.
3.2. Het eerste middel kan evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2001.