Belastingrecht
Hoge Raad · Cassatie · Belastingrecht
ECLI:NL:HR:2001:AD7276 · Hoge Raad · 14 december 2001
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/bestuursrecht/belastingrecht/cassatie/ecli-nl-hr-2001-ad7276
Zaakgegevens
Op 14 december 2001 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 14 december 2001
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 388
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Belastingrecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2001:AD7276
Uitspraak
Nr. 388
14 december 2001
FA
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 februari 2001, nrs. 99/1374 WW, 99/4993 WW, 99/4994 WW, 00/1697 WW en 00/1698 WW, betreffende besluiten van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, als rechtsopvolger van de Bedrijfsvereniging voor het Vervoer, tot vaststelling van het dagloon waarnaar de aan belanghebbende toegekende uitkering krachtens de Werkloosheidswet wordt berekend.
1. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
De in cassatie bestreden uitspraak van de Centrale Raad betreft de toepassing van de Werkloosheidswet en heeft betrekking op in het kader van die wet genomen besluiten welke zien op de hoogte van een uitkering krachtens meerbedoelde wet. Tegen uitspraken van de Centrale Raad daaromtrent is geen beroep in cassatie opengesteld. Hieruit volgt dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
2. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer P. Lourens als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck en J.C. van Oven, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en in het openbaar uitgesproken op 14 december 2001.
Het door belanghebbende als griffierecht betaalde bedrag van f 160 wordt door de Griffier van de Hoge Raad aan belanghebbende teruggegeven.