Belastingrecht
Nr. 38.865 28 mei 2004 EC gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de…
ECLI:NL:HR:2004:AP0225 · Hoge Raad · 28 mei 2004
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/bestuursrecht/belastingrecht/cassatie/ecli-nl-hr-2004-ap0225
Zaakgegevens
Op 28 mei 2004 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 28 mei 2004
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 38865
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Belastingrecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2004:AP0225
Samenvatting
Nr. 38.865 28 mei 2004 EC gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 3 oktober 2002, nr. 99/30407, betreffende na te melden aan X te Z opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. 1. Navorderingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof...
Procesgang
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 3 oktober 2002
ECLI:NL:GHSHE:2002:AF4969Hoge Raad · 28 mei 2004deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2004:AP0225
Uitspraak
Nr. 38.865
28 mei 2004
EC
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 3 oktober 2002, nr. 99/30407, betreffende na te melden aan X te Z opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Navorderingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1991 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 104.592.
Vervolgens is haar over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 107.403, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard en de uitspraak van de Inspecteur alsmede de navorderingsaanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het Hof heeft geoordeeld dat ultimo 1990 met onvoldoende zekerheid vaststond dat en tot welk bedrag belanghebbende haar rechten uit hoofde van haar tegoed op de ledenrekening zou kunnen realiseren om te kunnen oordelen dat zij te dier zake enig voordeel tot haar winst uit onderneming over dat jaar moest rekenen. Het Hof heeft daarbij in het bijzonder van belang geacht dat op grond van het bepaalde in artikel 32, lid 8, en artikel 33 van de destijds geldende statuten van de Coöperatie A (hierna: A) een lid dat ophoudt een onderneming in de vorm van een apotheek uit te oefenen weliswaar bevoegd was zijn 'aandelen' aan A te vervreemden tegen de nominale waarde vermeerderd met het tegoed op de ledenrekening, maar dat deze bevoegdheid gekoppeld was aan door het bestuur van A te stellen voorwaarden en alleen gold als in het boekjaar van aanbieding van de 'aandelen' niet reeds vijf percent van het totale nominale bedrag van de aandelen was terugbetaald. Het Hof heeft op die grond de door de Inspecteur bepleite toepassing van de foutenleer verworpen.
3.2. Het door het Hof genoemde artikel 32, lid 8, van de, tot de gedingstukken behorende, statuten van A houdt in dat een lid dat ophoudt een onderneming in de vorm van een apotheek uit te oefenen, voor elk aandeel de in lid 6 van het artikel bedoelde vergoeding ontvangt, mits het lid volgens door het bestuur van A vast te stellen normen verklaart niet opnieuw een zodanige onderneming uit te oefenen. Op grond van artikel 33 van de statuten bestaat de mogelijkheid dat het bestuur van A de door een lid aan haar aangeboden aandelen niet in het jaar van aanbieding behoeft af te nemen, maar pas in het daarop volgende jaar. Niet valt in te zien dat op grond van deze bepalingen onzekerheid bestond omtrent het beloop en/of de mogelijkheid tot realisatie van belanghebbendes rechten uit hoofde van haar tegoed op de ledenrekening. 's Hofs andersluidende oordeel is onbegrijpelijk. Het middel slaagt.
3.3. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten, en
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2004.