Belastingrecht
Onroerendezaakbelastingen. Substraatteelt. Cultuurgrondvrijstelling. Beleid
ECLI:NL:HR:2004:AP4378 · Hoge Raad · 25 juni 2004
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/bestuursrecht/belastingrecht/cassatie/ecli-nl-hr-2004-ap4378
Zaakgegevens
Op 25 juni 2004 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 25 juni 2004
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 39249
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Belastingrecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2004:AP4378
Samenvatting
Onroerendezaakbelastingen. Substraatteelt. Cultuurgrondvrijstelling. Beleid
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 22 januari 2003
ECLI:NL:GHAMS:2003:AF4805Hoge Raad · 25 juni 2004deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2004:AP4378
Uitspraak
Nr. 39.249
25 juni 2004
AB
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 22 januari 2003, nr. P02/01756, betreffende na te melden navorderingsaanslagen in de onroerendezaakbelastingen.
1. Navorderingsaanslagen en bezwaar
Aan belanghebbende zijn voor het jaar 1998 wegens het genot krachtens zakelijk recht en wegens het gebruik van de onroerende zaak a-straat 1 te Z, twee op één aanslagbiljet verenigde navorderingsaanslagen in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Pijnacker (hierna: de Gemeente) opgelegd naar een heffingsgrondslag van ƒ 665.000, welke navorderingsaanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de directeur van de sector Middelen a.i. (hierna: de Directeur) zijn gehandhaafd.
2. Loop van het geding tot dusverre
Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Directeur in beroep gekomen bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De uitspraak van dit hof van 7 september 2000 is op het beroep van belanghebbende bij arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2002, nr. 36623, BNB 2002/158, vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.
Het Hof heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
3. Het tweede geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Pijnacker-Nootdorp heeft een verweerschrift ingediend.
4. Beoordeling van het middel
4.1. Het Hof heeft geoordeeld (onderdeel 5.6 van de bestreden uitspraak) dat van een beleid van de Gemeente om in gevallen van substraatteelt ook na het arrest van de Hoge Raad van 24 september 1997 (BNB 1997/387) nog de cultuurgrondvrijstelling toe te passen geen sprake was, en dat uit de stukken integendeel blijkt dat de onderhavige aanslagen juist voortkomen uit het beleid van de Gemeente het arrest voortaan tot richtsnoer te nemen. Dit oordeel kan als van feitelijke aard in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het behoefde geen nadere motivering en is niet onbegrijpelijk. Voorzover het middel dit oordeel bestrijdt, faalt het derhalve.
4.2. Het middel bouwt voor het overige slechts voort op de stelling dat de Gemeente ten tijde van het opleggen van de primitieve aanslagen, na het evenvermelde arrest van de Hoge Raad, nog wel het beleid voerde om in gevallen van substraatteelt de cultuurgrondvrijstelling toe te passen. Die stelling is echter, gelet op 's Hofs hiervoor in 4.1 vermelde, tevergeefs door belanghebbende bestreden, oordeel, onhoudbaar, zodat het middel ook voor het overige faalt.
5. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer L. Monné als voorzitter, en de raadsheren A.R. Leemreis en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2004.