Belastingrecht
Artikel 5, lid 4, Wet IB 1964. Leeftijdsdiscriminatie.
ECLI:NL:HR:2004:AR2713 · Hoge Raad · 24 september 2004
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/bestuursrecht/belastingrecht/cassatie/ecli-nl-hr-2004-ar2713
Zaakgegevens
Op 24 september 2004 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 24 september 2004
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 38796
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Belastingrecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2004:AR2713
Samenvatting
Artikel 5, lid 4, Wet IB 1964. Leeftijdsdiscriminatie.
Uitspraak
Nr. 38.796
24 september 2004
az
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 11 juli 2002, nr. BK-01/02060 betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Voorlopige aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 2000 een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 81.878, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. Belanghebbende herhaalt in de eerste klacht zijn door het Hof verworpen betoog dat de in artikel 5, lid 4, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 neergelegde toerekening van bestanddelen van het inkomen van de belastingplichtige aan zijn echtgenote ingeval hij jonger is dan zijn echtgenote, in strijd is met het in artikel 14 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM) en artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) neergelegde verbod van leeftijdsdiscriminatie.
3.2. De klacht faalt, reeds omdat deze op relatieve leeftijd gebaseerde toerekening van inkomensbestanddelen niet ten doel heeft de ene echtgenoot ten opzichte van de andere echtgenoot in een voordeliger of nadeliger fiscale positie te brengen, en zij evenmin bij voorbaat ertoe leidt dat de echtgenoot aan wie de niet-persoonlijke inkomensbestanddelen worden toegerekend altijd in een voordeliger fiscale positie verkeert dan zijn jongere echtgenoot, of andersom.
3.3. De tweede klacht kan evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klacht niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren A.R. Leemreis en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2004.