Belastingrecht

Werkruimte mag niet ten laste van de winst gebracht worden (art. 8b(1)(a)(1) Wet IB’64; bijtelling…

Hoge Raad, 15 oktober 2004

Zaakgegevens

Op 15 oktober 2004 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15 oktober 2004
Datum publicatie
4 april 2013
Zaaknummer
40085
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2004:AR4002
E-mail

Samenvatting

Werkruimte mag niet ten laste van de winst gebracht worden (art. 8b(1)(a)(1) Wet IB’64; bijtelling economische huurwaarde (art.42a(1,2) Wet IB’64.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 26 maart 2003

    ECLI:NL:GHAMS:2003:AF9797
  2. Hoge Raad · 15 oktober 2004deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2004:AR4002

Uitspraak

Nr. 40.085

15 oktober 2004

whk

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 25 juni 2003, nr. P02/04402, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 102.960.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van het middel

Het Hof heeft op goede gronden een juiste beslissing gegeven. Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2004.