Belastingrecht

Art. 29f AWR ziet slechts op kosten gemaakt voor het geding in cassatie.

Hoge Raad, 7 oktober 2005

Zaakgegevens

Op 7 oktober 2005 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
7 oktober 2005
Datum publicatie
4 april 2013
Zaaknummer
41696
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2005:AU3941
E-mail

Samenvatting

Art. 29f AWR ziet slechts op kosten gemaakt voor het geding in cassatie.

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Gravenhage · 17 december 2004

    ECLI:NL:GHSGR:2004:AT8568
  2. Hoge Raad · 7 oktober 2005deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2005:AU3941

Uitspraak

Nr. 41.696

7 oktober 2005

whk

gewezen op na te melden verzoek van X B.V. te Z.

1. Verzoek

Na de intrekking door de Staatssecretaris van Financiën van het beroep in cassatie gericht tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 17 december 2004, nr. BK-03/02927, betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting, heeft belanghebbende het verzoek gedaan de Staatssecretaris te veroordelen in de hierna te vermelden proceskosten tot een bedrag van € 20.180,01.

De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend en geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.

2. Beoordeling van het verzoek

Ingevolge artikel 29f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan de Hoge Raad de Staatssecretaris veroordelen in de kosten die een belanghebbende heeft gemaakt in verband met een door de Staatssecretaris ingesteld beroep in cassatie, ingeval deze het beroep in cassatie heeft ingetrokken. Blijkens de door belanghebbende bij haar verzoek overgelegde specificatie van de door haar gemaakte proceskosten betreffen deze kosten echter niet het geding in cassatie, maar uitsluitend de beroepsprocedure bij het Hof. Het verzoek moet derhalve worden afgewezen.

3. Beslissing

De Hoge Raad wijst het verzoek af.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren J.W. van den Berge en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2005.