Belastingrecht
Ondernemerschap, verbondenheid voor verbintenissen betreffende de onderneming.
Hoge Raad, 14 juli 2006
ECLI:NL:HR:2006:AV0846 · Hoge Raad · 14 juli 2006
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/bestuursrecht/belastingrecht/cassatie/ecli-nl-hr-2006-av0846
Zaakgegevens
Op 14 juli 2006 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 14 juli 2006
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 42125
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2006:AV0846
Samenvatting
Ondernemerschap, verbondenheid voor verbintenissen betreffende de onderneming.
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 4 april 2005
ECLI:NL:GHAMS:2005:AT5067Hoge Raad · 14 juli 2006deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2006:AV0846
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 14 juli 2006
ECLI:NL:PHR:2006:AV0846
Uitspraak
Nr. 42.125
14 juli 2006
RvS
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 4 april 2005, nr. 04/00565, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 54.832, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal J.A.C.A. Overgaauw heeft op 21 december 2005 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.
De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende belastbare winst uit onderneming geniet. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat belanghebbende, nu zij niet rechtstreeks wordt verbonden voor verbintenissen betreffende de onderneming, die winst niet geniet als ondernemer in de zin van artikel 3.4 van de Wet IB 2001 (hierna: de Wet), maar als medegerechtigde tot het ondernemingsvermogen als bedoeld in artikel 3.3, lid 1, letter a, van de Wet. Tegen dit oordeel keert zich het middel.
3.2. De vraag of een belastingplichtige die winst uit onderneming geniet rechtstreeks wordt verbonden voor verbintenissen betreffende die onderneming, dient, zoals het Hof met juistheid als uitgangspunt heeft genomen, te worden beantwoord naar de regels van burgerlijk recht.
Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende niet rechtstreeks wordt verbonden voor verbintenissen betreffende de onderhavige onderneming. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Gelet op hetgeen het Hof in de onderdelen 5.9 en 5.10 van zijn uitspraak heeft overwogen, is dat oordeel ook niet onbegrijpelijk. Het middel faalt derhalve.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, de vice-president D.G. van Vliet, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2006.