Belastingrecht

CONCLUSIE PG, Inkomstenbelasting 2001. De drie zaken, waarin ik heden concludeer, hebben betrekking op de…

Zaakgegevens

Op 2 maart 2007 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
2 maart 2007
Datum publicatie
4 april 2013
Zaaknummer
42159
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2007:AU6479
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

CONCLUSIE PG, Inkomstenbelasting 2001. De drie zaken, waarin ik heden concludeer, hebben betrekking op de rendementsgrondslag van artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet). Het geschil in cassatie in de zaak 41.617 betreft allereerst het antwoord op de vraag of de materiële belastingschuld ter zake van inkomen uit sparen en beleggen ontstaat vóór dan wel na afloop van het kalenderjaar. Als deze materiële belastingschuld ontstaat vóór het einde van het kalenderjaar, komt de vraag aan de orde of de betaling daarvan - nog voordat een voorlopige aanslag is vastgesteld, hierna ook: spontane betaling -, leidt tot een verlaging van de rendementsgrondslag. Het geschil in cassatie in de andere twee zaken betreft het antwoord op de vraag of de uitsluiting van belastingschulden bij de bepaling van de rendementsgrondslag in strijd is met het gelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijke wetgeving. In verband met de laatste vraag onderzoek ik ambtshalve tevens of premieschulden vallen onder het begrip verplichtingen die voortvloeien uit een belastingwet als bedoeld in artikel 5.3, lid 3, onderdeel a, van de Wet.

Procesgang

  1. Hoge Raad · 2 maart 2007deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2007:AU6479

  2. Conclusie A-G · 2 maart 2007

    ECLI:NL:PHR:2007:AU6479

Uitspraak

Uitspraak wordt niet gepubliceerd.