Belastingrecht
Art. 3.120, lid 9, Wet IB 2001 geldt ook voor leningen aangegaan vóór 2001. Vertrouwensbeginsel.
Hoge Raad, 21 september 2007
ECLI:NL:HR:2007:AY9008 · Hoge Raad · 21 september 2007
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/bestuursrecht/belastingrecht/cassatie/ecli-nl-hr-2007-ay9008
Zaakgegevens
Op 21 september 2007 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 21 september 2007
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 42305
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2007:AY9008
Samenvatting
Art. 3.120, lid 9, Wet IB 2001 geldt ook voor leningen aangegaan vóór 2001. Vertrouwensbeginsel.
Procesgang
Gerechtshof Leeuwarden · 19 augustus 2005
ECLI:NL:GHLEE:2005:AU1379Hoge Raad · 21 september 2007deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2007:AY9008
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 21 september 2007
ECLI:NL:PHR:2007:AY9008
Uitspraak
Nr. 42.305
21 september 2007
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 19 augustus 2005, nr. BK 63/05, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 2002 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 44.638.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal J.A.C.A. Overgaauw heeft op 19 juli 2006 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. Belanghebbende woont sedert 1 december 1999 samen met A. Op 18 juni 1999 hebben zij een samenlevingscontract gesloten.
3.1.2. In de loop van het jaar 2000 heeft belanghebbende zijn woning voor een bedrag van ƒ 150.000 laten verbouwen. Belanghebbende heeft deze verbouwing onder meer gefinancierd door een bedrag van ƒ 50.000 te lenen bij zijn partner.
3.1.3. Belanghebbende heeft bij zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2002 ter zake van deze geldlening een bedrag aan rente ter grootte van € 1362 in aftrek van de voordelen uit eigen woning gebracht. De Inspecteur heeft deze aftrek niet geaccepteerd.
3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat artikel 3:120, lid 9, van de Wet IB 2001 verhindert dat de kosten van de geldlening als aftrekbare kosten met betrekking tot de eigen woning kunnen gelden. Het Hof heeft aan dat oordeel ten grondslag gelegd dat deze bepaling ook geldt voor leningen die zijn afgesloten vóór 1 januari 2001.
3.3. Tegen voormeld oordeel is klacht 1 gericht met het betoog dat aan de uitlatingen van de bewindslieden van Financiën, gedaan tijdens de parlementaire behandeling van artikel 3.123 van de Wet IB 2001, ook weergegeven in onderdeel 3.7 van de bijlage bij de conclusie van de Advocaat-Generaal, het vertrouwen kan worden ontleend dat de leningen die zijn aangegaan vóór de inwerkingtreding van de Wet IB 2001 en die door de Inspecteur als eigenwoningschuld zijn geaccepteerd, hun karakter zullen behouden en dat de aftrekbaarheid van de kosten van die leningen zal worden geëerbiedigd.
De klacht faalt op de gronden vermeld in de onderdelen 2.3 tot en met 2.6 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3.4.1. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat belanghebbende aan de omstandigheid dat de aangiften over de jaren 2000 en 2001 door de Inspecteur op dit punt zijn gevolgd niet het in rechte te beschermen vertrouwen kan ontlenen dat ook met betrekking tot het onderhavige jaar de renteaftrek zal worden geaccepteerd. Het Hof heeft voor dit oordeel redengevend geoordeeld dat, nu deze beide aangiften zijn geregeld zonder nadere inhoudelijke toetsing, geen sprake is van een bewuste standpuntbepaling van de Inspecteur.
3.4.2. Klacht 2 voert terecht aan dat deze redengeving onjuist is. De stukken van het geding voor het Hof laten geen andere conclusie toe dan dat voor het jaar 2000 wel een inhoudelijke toetsing heeft plaatsgevonden en aan belanghebbende is medegedeeld dat de lening aantoonbaar is gebruikt voor de eigen woning. Zulks kan belanghebbende evenwel niet baten op de gronden als vermeld in onderdeel 2.7 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer L. Monné als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en J.W.M. Tijnagel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 21 september 2007.