Belastingrecht

Beperkende voorwaarde bij vergunning “behandeling onder douanetoezicht”? Ontvankelijkheid bezwaar.

Hoge Raad, 2 maart 2007

Zaakgegevens

Op 2 maart 2007 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
2 maart 2007
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
42310
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2007:AZ9675
E-mail

Samenvatting

Beperkende voorwaarde bij vergunning “behandeling onder douanetoezicht”? Ontvankelijkheid bezwaar.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 19 mei 2005

    ECLI:NL:GHAMS:2005:AT6428
  2. Hoge Raad · 2 maart 2007deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2007:AZ9675

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

Nr. 42.310

2 maart 2007

whk

gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 19 mei 2005, nr. 03/3473 DK, betreffende na te melden vergunning "behandeling onder douanetoezicht".

1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is door de Inspecteur bij beschikking een vergunning "behandeling onder douanetoezicht" verleend. Belanghebbende heeft tegen deze beschikking bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij uitspraak dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak waarvan beroep vernietigd, voorzover deze betrekking heeft op de vergunning behandeling onder douanetoezicht, het tegen deze vergunning gerichte bezwaar ongegrond verklaard en de uitspraak voor het overige bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. 's Hofs oordeel dat de omstreden mededeling van de Inspecteur niet het karakter van een vergunningvoorwaarde heeft maar van een inlichting, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. Hierop stuiten de middelen 1 en 2 af.

3.2. Middel 3 kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2007.