Belastingrecht
Conclusie PG Belanghebbende is eigenaar van een windmolenpark, waarvan de waarde, op grond van artikel 17…
ECLI:NL:HR:2007:BA2771 · Hoge Raad · 23 november 2007
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/bestuursrecht/belastingrecht/cassatie/ecli-nl-hr-2007-ba2771
Zaakgegevens
Op 23 november 2007 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 23 november 2007
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 43264
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Belastingrecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2007:BA2771
Samenvatting
Conclusie PG
Belanghebbende is eigenaar van een windmolenpark, waarvan de waarde, op grond van artikel 17, lid 3, van de Wet waardering onroerende zaken, bepaald is op de gecorrigeerde vervangingswaarde. Het park is in 1995 gerealiseerd met behulp van een van overheidswege verstrekte directe investeringssubsidie. Op de waardepeildatum is deze subsidiefaciliteit echter niet meer van kracht. Wel gelden op dat moment de volgende fiscale faciliteiten:
* een vergoeding aan producenten van onder meer windenergie ter grootte van de normaliter geheven regulerende energieheffing (artikel 36o Wet belastingen op milieugrondslag);
* de VAMIL-regeling (artikel 10 Wet op de inkomstenbelasting 1964), en
* de energie-investeringsaftrek (artikel 11 Wet op de inkomstenbelasting 1964).
In geschil is of bij de vaststelling van de ongecorrigeerde vervangingswaarde van de opstallen rekening gehouden dient te worden met deze drie faciliteiten.
A-G Niessen komt tot de bevinding dat bij de bepaling van de ongecorrigeerde vervangingswaarde van de opstallen in beginsel geen rekening gehouden dient te worden met subjectgebonden subsidies die zouden kunnen worden verkregen ter zake van het tot stand brengen van vervangende zaak, noch met subsidies die betrekking hebben op de exploitatie daarvan, maar wel met op of omstreeks de waardepeildatum geldende objectgebonden overheidssubsidies met betrekking tot investeringen in de vervangende zaak, indien een ieder die een dergelijk object tot stand brengt, daarop recht kan doen gelden. Zowel de regeling in artikel 36o van de Wet belastingen op milieugrondslag als de VAMIL-regeling vormen volgens de A-G niet een objectgebonden subsidie in zojuist bedoelde zin.
Ten aanzien van de energie-investeringsaftrek betoogt A-G Niessen dat het belastingvoordeel dat voortvloeit uit deze regeling wél direct is verbonden aan de investering in windturbines. Aangezien de energie-investeringsaftrek slechts open staat voor diegenen die onderworpen zijn aan het winstregime van de inkomsten- of vennootschapsbelasting, is echter niet sprake van een objectgebonden regeling met betrekking tot investeringen in windturbines waarop een ieder die dergelijke objecten tot stand brengt, recht kan doen gelden.
Als de energie-investeringsaftrek daarentegen wordt bezien in samenhang met de Subsidieregeling energievoorzieningen in de non-profit en bijzondere sectoren, op basis waarvan aan bepaalde natuurlijke en rechtspersonen een directe investeringssubsidie wordt verstrekt voor het tot stand brengen van windturbines, treedt volgens de A-G naar voren dat nagenoeg een ieder die een windturbine tot stand brengt, in aanmerking komt voor een aan de stichtingskosten gerelateerde faciliteit, waarbij de omvang van de ene is afgestemd op die van de andere. De vraag rijst dan ook of, gelet op de samenhang tussen beide faciliteiten, niet in feite elke investeerder in windturbines recht heeft op een objectgebonden overheidssubsidie. Daartegen pleit volgens A-G Niessen dat bepaalde lichamen voor geen van beide faciliteiten in aanmerking komen, en vooral dat de minimum- en maximumbedragen die voor subsidiëring in aanmerking komen ongelijk zijn, en dat het aan de energie-investeringsaftrek te ontlenen (netto-)voordeel, althans de contante waarde daarvan, afhangt van het winstniveau van de investeerder - en bij uitblijven van winst zelfs nihil kan zijn - en in dergelijke gevallen dus niet bij benadering gelijk is aan het niveau van de subsidie van de Subsidieregeling energievoorzieningen in de non-profit en bijzondere sectoren, zodat een subjectief element wel degelijk een grote rol speelt.
De conclusie strekt tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Procesgang
Hoge Raad · 23 november 2007deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2007:BA2771
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 23 november 2007
ECLI:NL:PHR:2007:BA2771
Uitspraak
Uitspraak wordt niet gepubliceerd.