Belastingrecht
Vaste kostenvergoedingen. Specificatie van eenmaal verstrekte vaste kostenvergoeding mag niet achteraf worden…
Hoge Raad, 7 maart 2008
ECLI:NL:HR:2008:BB7763 · Hoge Raad · 7 maart 2008
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/bestuursrecht/belastingrecht/cassatie/ecli-nl-hr-2008-bb7763
Zaakgegevens
Op 7 maart 2008 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 7 maart 2008
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 41623
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2008:BB7763
Samenvatting
Vaste kostenvergoedingen. Specificatie van eenmaal verstrekte vaste kostenvergoeding mag niet achteraf worden gewijzigd.
Procesgang
Gerechtshof Leeuwarden · 25 maart 2005
ECLI:NL:GHLEE:2005:AT2841Hoge Raad · 7 maart 2008deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2008:BB7763
(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaanVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 7 maart 2008
ECLI:NL:PHR:2008:BB7763
Uitspraak
Nr. 41.623
7 maart 2008
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 25 maart 2005, nr. BK 381/03, betreffende een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Het geding in feitelijke instantie
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 28 februari 2002 een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede een boete. De naheffingsaanslag en de boete zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur verminderd voor zover deze betrekking hebben op het jaar 2002.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal C.W.M. van Ballegooijen heeft op 24 oktober 2007 geconcludeerd tot verwerping van de klachten, tot gegrondverklaring van het beroep op een ambtshalve bijgebrachte grond en tot vermindering van de boete met 10 percent.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. Belanghebbende oefent een metselbedrijf uit, waarin tevens timmerwerkzaamheden worden uitgevoerd.
3.1.2. Bij een boekenonderzoek, dat begin 2000 door de Inspecteur is uitgevoerd, is geconstateerd dat belanghebbende reeds jaren aan al haar werknemers een vaste kostenvergoeding van ƒ 4 per dag uitbetaalt.
3.1.3. Met het oog op de toekomst is met de Inspecteur een afspraak gemaakt over een kostentoets. Deze bestond uit een steekproef onder veertien door de Inspecteur aangewezen werknemers, die vanaf 1 november 2000 gedurende een periode van één jaar de bonnen met betrekking tot de door hen aangeschafte werkkleding, schoenen en gereedschappen dienden te bewaren.
3.1.4. Na ommekomst van het jaar hadden twee werknemers geen bonnen bewaard, en was een derde werknemer zonder bonnen in te leveren uit dienst getreden. De gemiddelde besteding per werknemer is door de Inspecteur aan de hand van de steekproef berekend door het totaalbedrag van de ingeleverde en door hem geaccepteerde bonnen te delen door dertien, hetgeen een gemiddelde vergoeding per werknemer van ƒ 199,45 per jaar opleverde. De Inspecteur heeft een gedeelte van de door belanghebbende verstrekte vaste kostenvergoeding als bovenmatig aangemerkt en ter zake hiervan de naheffingsaanslag opgelegd.
3.1.5. De door belanghebbende in de jaren 2000 en 2001 verstrekte vaste vergoeding is gerelateerd aan de CAO-vergoeding van ƒ 4 per dag. Deze CAO-vergoeding bestaat sinds 1 juli 1999 uit drie componenten, te weten werkkleding (ƒ 1,80), laarzen (ƒ 1,10) en gereedschap (ƒ 1,10). In voorafgaande jaren was ook koffiegeld begrepen in de CAO-vergoeding. Belanghebbende heeft van de vergoedingen geen voorafgaande specificatie aan het personeel verstrekt.
3.2. Ingevolge artikel 11, lid 1, aanhef en letter j, onder 3, van de Wet op de loonbelasting 1964 juncto artikel 5a van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990 (jaar 2000) respectievelijk artikel 15d van de Wet op de loonbelasting 1964 juncto artikel 47 Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 (jaar 2001) behoren vaste vergoedingen niet tot het loon voor zover deze per kostencategorie naar aard en veronderstelde omvang van de kosten zijn gespecificeerd.
3.3. Belanghebbende heeft voor het Hof onder meer aangevoerd dat een deel van de door haar verstrekte kostenvergoeding kan worden aangemerkt als koffiegeld. Het Hof heeft deze stelling verworpen en daartoe overwogen dat omdat ten tijde van het boekenonderzoek in 2000 noch nadien aannemelijk is geworden dat er door belanghebbende koffiegeld aan haar werknemers werd verstrekt, een deel van de vaste kostenvergoeding achteraf niet meer als zodanig kan worden geduid.
Voor zover het middel zich tegen dit oordeel richt, kan het niet tot cassatie leiden. Koffiegeld was in de onderhavige jaren niet opgenomen in de specificatie van de CAO-vergoeding, welke - nu overigens een specificatie ontbrak - kan gelden als specificatie in de zin van voormelde wettelijke bepalingen. Het middel miskent dat voor de toepassing van de hiervoor in 3.2 vermelde bepalingen niet aan eenmaal verstrekte vaste kostenvergoedingen achteraf andere kosten ten grondslag mogen worden gelegd dan die welke vooraf of uiterlijk bij de betaling ervan naar aard en veronderstelde omvang zijn gespecificeerd.
3.4. Het middel kan voor het overige evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Ambtshalve aanwezig bevonden grond voor cassatie
In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 11 februari 2005. Op het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, zijn mitsdien gerekend vanaf die dag meer dan twee jaren verstreken. Dit levert een aan de cassatieprocedure toe te schrijven overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM op. De Hoge Raad zal om die reden de boete verminderen met een bedrag gelijk aan 10 percent van de na de vermindering door de Inspecteur resterende boete.
5. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep ongegrond, en
vernietigt de uitspraak van het Hof, doch enkel voor wat betreft de beslissing omtrent de boete, en vermindert de boete tot op een bedrag van € 1879,20.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer P.J. van Amersfoort als voorzitter, en de raadheren C.B. Bavinck en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2008.