Belastingrecht
Art. 15, lid 7, Wet LB 1964. Werkkleding verhuisbedrijf.
ECLI:NL:HR:2008:BC3163 · Hoge Raad · 1 februari 2008
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/bestuursrecht/belastingrecht/cassatie/ecli-nl-hr-2008-bc3163
Zaakgegevens
Op 1 februari 2008 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 1 februari 2008
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 41104
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Belastingrecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2008:BC3163
Samenvatting
Art. 15, lid 7, Wet LB 1964. Werkkleding verhuisbedrijf.
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 12 februari 2004
ECLI:NL:GHAMS:2004:AO8507Hoge Raad · 1 februari 2008deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2008:BC3163
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
Nr. 41.104
1 februari 2008
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 27 mei 2004, nr. P 03/03922, betreffende een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Het geding in feitelijke instantie
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1998 tot en met 31 december 1998 een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. Het eerste middel klaagt onder meer dat het Hof een te beperkte uitleg heeft gegeven aan de term "bedrijf" (in het samenstel "bedrijf of beroep") als bedoeld in onderdeel 6 van het Besluit van 31 juli 2000, nr. CPP 2000/1223 M (BNB 2000/313). Deze klacht faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Het Hof heeft niet miskend dat de term "bedrijf" in onderdeel 6 van dit Besluit niet moet worden uitgelegd als "onderneming", maar als "tak van bedrijvigheid". Waar het Hof spreekt over "het bedrijf van belanghebbende", en over "een bepaald bedrijf", doelt het kennelijk op de door belanghebbende uitgeoefende tak van bedrijvigheid, het verhuisbedrijf.
3.2. De middelen kunnen voor het overige evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer L. Monné als voorzitter, en de raadsheren C.J.J. van Maanen en J.W.M. Tijnagel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2008.