Belastingrecht
Conclusie PG Deelvissers; ondernemerschap; art. 3.4 Wet IB 2001; maatschap; schepelingen ter visscherij Deze…
Hoge Raad, 14 november 2008
ECLI:NL:HR:2008:BC3679 · Hoge Raad · 14 november 2008
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/bestuursrecht/belastingrecht/cassatie/ecli-nl-hr-2008-bc3679
Zaakgegevens
Op 14 november 2008 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 14 november 2008
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 43302
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2008:BC3679
Samenvatting
Conclusie PG
Deelvissers; ondernemerschap; art. 3.4 Wet IB 2001; maatschap; schepelingen ter visscherij
Deze zaak stelt de vraag aan de orde of de belanghebbende - deelvisser en maat in een maatschap die het visserijbedrijf uitoefent - voor het jaar 2001 als ondernemer in de zin van art. 3.4 Wet IB 2001 kan worden aangemerkt en daarmee recht heeft op zelfstandigenaftrek ex art. 3.76 Wet IB 2001. Niet in geschil is dat (intern: in hun onderlinge verhouding) mede voor rekening en risico van de maten/deelvissers een onderneming wordt gedreven (vgl. HR 8 maart 1989, nr. 25377, met conclusie Verburg en noot Hofstra). Wél in geschil is of de belanghebbende 'rechtstreeks wordt verbonden voor verbintenissen betreffende' de onderneming, dus of hij ook rechtstreeks extern (jegens derden) ondernemersrisico draagt.
Het Hof is op grond van uitlegging van overeenkomsten en waardering van bewijs tot het oordeel gekomen dat het de eigenaar van het schip is geweest die op eigen naam (niet als maat, noch als vertegenwoordiger) de verbintenissen jegens derden is aangegaan en dat niet van een (gemeenschappelijke) naam is gebleken waaronder het samenwerkingsverband extern is opgetreden, zodat de belanghebbende niet geacht kan worden rechtstreeks jegens derden verbonden te zijn geweest. De belanghebbende bestrijdt dat oordeel in cassatie.
In een bijlage die ook behoort bij de zaak met rolnr. 42927, onderzoekt A.-G. Wattel (i) het (rechtstreekse) verbondenheidscriterium in art. 3.4 Wet IB 2001, (ii) de fiscale implicaties van het regime van de schepeling ter visscherij (de zeevisserij-maatschapsovereenkomst) in het Wetboek van Koophandel en (iii) de fiscale implicaties van het regime van stille en openbare maatschap en vennootschap onder firma. Hij komt op grond van de parlementaire geschiedenissen en de literatuur tot de conclusie dat de stille maat in beginsel fiscaalrechtelijk geen ondernemer meer is onder het regime van de Wet IB 2001. De conclusie gaat voorts in op de vraag of 'doel en strekking' van de wet met zich mee zouden moeten brengen dat een deelvisser in een stille maatschap - vergeleken met bijvoorbeeld een advocaat in een vrije-beroepsmaatschap - als ondernemer moet worden aangemerkt, maar beantwoordt deze vraag op grond van het verschil in gebondenheid jegens derden en van de parlementaire geschiedenis van de Wet IB 2001 ontkennend.
In de zaak zelve komt de A-G tot de conclusie dat het Hof niet van onjuiste rechtsopvattingen is uitgegaan, noch het maatschapscontract onbegrijpelijk heeft uitgelegd, noch ongemotiveerde of onbegrijpelijke gevolgen heeft verbonden aan de door hem vastgestelde feiten, zodat het beroep faalt.
Conclusie: beroep ongegrond
Procesgang
Hoge Raad · 14 november 2008deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2008:BC3679
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 14 november 2008
ECLI:NL:PHR:2008:BC3679
Uitspraak
Uitspraak wordt niet gepubliceerd.