Belastingrecht
Artikel 7, lid 1, Wet OB; verkoop van om niet verkregen gebruikte goederen (kringloopwinkel).
ECLI:NL:HR:2009:BH5557 · Hoge Raad · 13 maart 2009
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/bestuursrecht/belastingrecht/cassatie/ecli-nl-hr-2009-bh5557
Zaakgegevens
Op 13 maart 2009 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 13 maart 2009
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 07/13464
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Belastingrecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2009:BH5557
Samenvatting
Artikel 7, lid 1, Wet OB; verkoop van om niet verkregen gebruikte goederen (kringloopwinkel).
Procesgang
Gerechtshof Leeuwarden · 12 oktober 2007
ECLI:NL:GHLEE:2007:BB5756Hoge Raad · 13 maart 2009deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2009:BH5557
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
Nr. 07/13464
13 maart 2009
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van Stichting X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 12 oktober 2007, nr. 134/06, betreffende een naheffingsaanslag in de omzetbelasting.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2004 tot en met 31 december 2004 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd.
De Rechtbank te Leeuwarden heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de klacht
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende exploiteert een kringloopwinkel. Zij verkoopt tegen vergoeding gebruikte goederen die zij om niet heeft verkregen. De goederen worden - zo nodig na kleine herstelwerkzaamheden - verkocht in dezelfde toestand als die waarin belanghebbende deze heeft verkregen.
3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de verkoop van gebruikte goederen door belanghebbende niet kan worden aangemerkt als een prestatie tussen particulieren en voorts dat belanghebbende vanwege de hiervoor onder 3.1 bedoelde tegen een vergoeding verrichte leveringen ondernemer is in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) en ter zake van die leveringen omzetbelasting is verschuldigd. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat de door belanghebbende ontvangen vergoeding voor het geheel in de heffing van omzetbelasting moet worden betrokken. De klacht is gericht tegen de hiervoor genoemde oordelen.
3.3. Ingevolge artikel 7 van de Wet is ondernemer ieder die zelfstandig economische activiteiten verricht. Het Hof heeft op goede gronden geoordeeld dat belanghebbende met betrekking tot de hiervoor in 3.1 bedoelde leveringen van gebruikte goederen is aan te merken als ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet, nu zij deze goederen op regelmatige basis tegen een vergoeding levert. Hieraan doet niet af dat het gaat om gebruikte goederen die om niet door particulieren aan belanghebbende worden verstrekt. Het in de klacht vermelde arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 3 maart 1994, R.J. Tolsma, C-16/93, BNB 1994/271, waarin voor recht is verklaard dat uitsluitend prestaties die onder bezwarende titel worden verricht onderworpen zijn aan de btw, maakt dit niet anders, nu de in geschil zijnde door belanghebbende verrichte prestaties onder bezwarende titel worden verricht. Evenmin doet daaraan af de in de klacht geopperde cumulatie van omzetbelasting, indien daarvan al sprake zou zijn.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2009.