Belastingrecht
Kapitaalsbelasting; artikel 37, lid 1, aanhef en letter a jo. lid 2 aanhef en letter c, WBR…
ECLI:NL:HR:2009:BJ5123 · Hoge Raad · 14 augustus 2009
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/bestuursrecht/belastingrecht/cassatie/ecli-nl-hr-2009-bj5123
Zaakgegevens
Op 14 augustus 2009 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 14 augustus 2009
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 08/00006
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Belastingrecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2009:BJ5123
Samenvatting
Kapitaalsbelasting; artikel 37, lid 1, aanhef en letter a jo. lid 2 aanhef en letter c, WBR (reorganisatievrijstelling); ingebrachte vorderingen zijn geen bedrijfsmiddel
Procesgang
Rechtbank Haarlem · 21 februari 2006
ECLI:NL:RBHAA:2006:AW4695Gerechtshof Amsterdam · 12 december 2007
ECLI:NL:GHAMS:2007:BC4176(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaanVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg
Hoge Raad · 14 augustus 2009deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2009:BJ5123
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
nr. 08/00006
14 augustus 2009
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X Holding B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 12 december 2007, nr. 06/00110, betreffende een naheffingsaanslag in de kapitaalsbelasting.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de kapitaalsbelasting opgelegd, alsmede een boete.
Belanghebbende is tegen het niet tijdig doen van uitspraak op het door hem tegen deze aanslag en boete gemaakte bezwaar in beroep gekomen bij de Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 05/1163).
Nadien heeft de Inspecteur alsnog uitspraak gedaan op het bezwaar, bij welke uitspraak de aanslag is gehandhaafd en de boete verminderd.
De Rechtbank heeft het beroep tegen het niet tijdig doen van uitspraak op het bezwaarschrift gegrond verklaard, de naheffingsaanslag gehandhaafd en de boete verminderd.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd voor zover deze de boete betreft, het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd voor zover deze de boete betreft en de boetebeschikking vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.
3. Beoordeling van het middel
Het Hof heeft geoordeeld dat de vorderingen die zijn ingebracht in belanghebbende niet zijn aan te merken als bedrijfsmiddel, en derhalve niet vallen onder de vrijstelling van artikel 37, lid 1, aanhef en letter a, in verbinding met lid 2, aanhef en letter c, Wet op belastingen van rechtsverkeer (tekst 2004).
Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het middel, dat dit oordeel bestrijdt, faalt derhalve.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C.B. Bavinck als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2009.