Belastingrecht

Conclusie PG: Belanghebbende beheert en exploiteert onroerend goed en is als zodanig ondernemer in de zin van…

Zaakgegevens

Op 3 mei 2010 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
3 mei 2010
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
CPG 09/02220
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2010:BM6690
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Conclusie PG:

Belanghebbende beheert en exploiteert onroerend goed en is als zodanig ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet). Bij notariële akte van 8 maart 2004 heeft belanghebbende het recht van erfpacht verworven op een stuk grond met een in aanbouw zijnd kantoorpand te Q. De erfpacht loopt van 1 maart 2004 tot en met 29 februari 2024. De jaarlijkse canon bedraagt € 330.000 exclusief omzetbelasting. Ter zake van de vestiging van het erfpachtrecht is aan belanghebbende omzetbelasting in rekening gebracht. Belanghebbende heeft het kantoorpand afgebouwd (c.q. doen afbouwen). Na voltooiing van de bouw heeft zij het pand op 1 juni 2004 in gebruik genomen, deels voor belaste en deels voor vrijgestelde verhuur. In verband met de ingebruikneming heeft belanghebbende ter zake van een levering in de zin van artikel 3, lid 1, onderdeel h, van de Wet (hierna: 3-1-h-levering) omzetbelasting op aangifte voldaan, welke belasting is berekend naar een maatstaf van heffing van € 1.901.749. Hierin is ter zake van het erfpachtrecht de tijdens de afbouw vervallen canon van € 330.000 opgenomen. De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat in de maatstaf van heffing van de 3-1-h-levering niet de tijdens de bouw vervallen canon moet worden opgenomen, maar de waarde van het erfpachtrecht, berekend als de gekapitaliseerde waarde van de canon. Hij heeft dan ook een naheffingsaanslag aan belanghebbende opgelegd.

Het middel slaagt naar het oordeel van A-G Van Hilten. Nu, naar vaststaat, in casu de vestiging van het erfpachtrecht op grond van artikel 3, lid 2, van de Wet een levering was, kan niet anders dan worden geconcludeerd dat het erfpachtrecht als een goed (vgl. artikel 5, lid 3, onder b, van de Zesde richtlijn) moet worden aangemerkt en dat derhalve de gekapitaliseerde waarde van de canon tot de maatstaf van heffing van de 3-1-h-levering behoort. Voor een nadere onderbouwing verwijst zij naar de bij (onder meer) deze conclusie behorende bijlage.

A-G Van Hilten geeft de Hoge Raad in overweging om het beroep van de staatssecretaris van Financiën gegrond te verklaren. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen.

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Gravenhage · 17 april 2009

    ECLI:NL:GHSGR:2009:BI5342
  2. Hoge Raad · 3 mei 2010deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2010:BM6690

  3. Conclusie A-G · 3 mei 2010

    ECLI:NL:PHR:2010:BM6690
  4. Hoge Raad · 21 februari 2014

    ECLI:NL:HR:2014:341

Uitspraak

Derde kamer - uitspraak volgt