Belastingrecht

Conclusie PG: Belanghebbende is eigenaresse van een sportcomplex. De tot dit complex behorende voetbalvelden…

Zaakgegevens

Op 3 mei 2010 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
3 mei 2010
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
CPG 09/03109
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2010:BM6706
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Conclusie PG:

Belanghebbende is eigenaresse van een sportcomplex. De tot dit complex behorende voetbalvelden waren aanvankelijk natuurgrasvelden. Sedert 1991 verhuurt belanghebbende deze velden vrijgesteld van omzetbelasting aan een stichting. De velden worden door twee amateurvoetbalverenigingen voor de voetbalsport gebruikt. In 2001 is in opdracht van belanghebbende één van de natuurgrasvelden vervangen door een kunstgrasvoetbalveld (hierna: het kunstgrasveld). Op 1 november 2001 heeft belanghebbende het kunstgrasveld in gebruik genomen door het per die datum vrijgesteld van omzetbelasting te verhuren aan de stichting. Ter zake van de aanleg van het kunstgrasveld is aan belanghebbende omzetbelasting in rekening gebracht. Zij heeft deze belasting in aftrek gebracht. Zich op het standpunt stellende dat belanghebbende met de ingebruikneming van het kunstgrasveld op 1 november 2001 een levering als bedoeld in artikel 3, lid 1, aanhef en onderdeel h, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) heeft verricht, heeft de Inspecteur aan belanghebbende de in geding zijnde naheffingsaanslag opgelegd.

In cassatie is tussen partijen in confesso dat het kunstgrasveld is vervaardigd. A-G Van Hilten is van mening dat dit gemeenschappelijke standpunt niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en gaat dan ook van de juistheid daarvan uit.

De A-G is van mening dat de zinsnede 'met in het eigen bedrijf vervaardigde goederen worden gelijkgesteld goederen welke in opdracht zijn vervaardigd onder terbeschikkingstelling van stoffen, waaronder grond is begrepen' in artikel 3, lid 1, onderdeel h, van de Wet niet in strijd is met de Zesde richtlijn. Voor een nadere onderbouwing verwijst zij naar de bij (onder meer) deze conclusie behorende bijlage. Hof 's-Gravenhage (hierna: het Hof) is volgens A-G Van Hilten dan ook van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan. Het middel is volgens haar dan ook terecht voorgesteld en leidt tot cassatie.

Als de Hoge Raad de hiervoor vermelde opvatting van de A-G omtrent de verenigbaarheid van artikel 3, lid 1, onderdeel h, van de Wet met (artikel 5, lid 7, onder a, van) de Zesde richtlijn deelt, dan moet het niet door het Hof behandelde standpunt van belanghebbende -de maatstaf van heffing van de 3-1-h-levering moet worden vastgesteld op de uitgaven waarvoor de gemeente recht op aftrek van voorbelasting heeft verkregen - alsnog worden behandeld. Naar de mening van A-G Van Hilten is voor het subsidiaire standpunt van belanghebbende geen steun te vinden in het recht. Volgens haar kan de Hoge Raad ook dit punt zelf afdoen.

A-G Van Hilten concludeert tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie en geeft de Hoge Raad in overweging om de zaak zelf af te doen.

Procesgang

  1. Hoge Raad · 3 mei 2010deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2010:BM6706

  2. Conclusie A-G · 3 mei 2010

    ECLI:NL:PHR:2010:BM6706
  3. Hoge Raad · 20 december 2013

    ECLI:NL:HR:2013:1784

    Conclusie gevolgd · (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

Uitspraak

Derde kamer - uitspraak volgt