Belastingrecht

Conclusie PG A-G IJzerman heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 11/01120 naar aanleiding van het…

Zaakgegevens

Op 26 oktober 2011 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26 oktober 2011
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
CPG 11/01120
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2011:BU3798
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Conclusie PG

A-G IJzerman heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 11/01120 naar aanleiding van het beroep in (sprong)cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van de Rechtbank te Haarlem van 28 januari 2011, nrs. 08/7996 en 08/7997, LJN BQ0986, NTFR 2011/1713, met noot Nieuweboer.

In 2005 heeft belanghebbendes fiscale eenheidsdochter dividend (GBP 25.000.000) ontvangen van een in het Verenigd Koninkrijk (VK) gevestigde dochtervennootschap (deelneming). Op grond van het belastingverdrag tussen Nederland en het VK van 1980 had de fiscale eenheidsdochter recht op een Brits 'tax credit' (GBP 1.388.888) en mocht het VK 5% 'income tax' heffen over het dividend plus de tax credit (GBP 1.319.444 = 5% x (25.000.000 + 1.388.888)). De tax credit en de verschuldigde income tax zijn met elkaar verrekend, resulterend in een uitbetaling van GBP 69.444 aan belanghebbende.

Belanghebbende heeft zelf in 2007 en 2008 dividend ter beschikking gesteld aan haar aandeelhouders. In haar aangiften dividendbelasting heeft zij bedragen in mindering gebracht als dooruitdelingskorting, op grond van artikel 11 van de Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet DB). De Inspecteur heeft de geclaimde dooruitdelingskortingen niet geaccepteerd, omdat niet aan de eisen voor toepassing van de korting zou zijn voldaan, en heeft naheffingsaanslagen dividendbelasting opgelegd.

In cassatie is in geschil of met betrekking tot de dividenduitkering in 2005 vanuit het VK is voldaan aan de eis ex artikel 11, lid 1, onder 2, van de Wet DB: "op de winstuitkeringen is in (...) de staat waar het lichaam is gevestigd een bronbelasting van ten minste 5 percent ingehouden".

De Rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende recht heeft op toepassing van de dooruitdelingskorting. Volgens de Rechtbank zijn de dooruitgedeelde dividenden geheel afkomstig uit door belanghebbende van haar VK deelneming ontvangen dividend. De income tax - die niet wordt ingehouden door het uitdelende lichaam, maar door de Britse belastingdienst wordt verrekend bij uitkering van de tax credit - moet volgens de Rechtbank worden erkend als bronbelasting voor toepassing van de dooruitdelingskorting. De tax credit moet worden aangemerkt als een teruggave aan de aandeelhouder van de over de winst van de uitdelende vennootschap geheven winstbelasting en dus niet als een vermindering van de bronbelasting over het ter beschikking gestelde dividend, aldus de Rechtbank.

Het gaat in cassatie om de voor de toepassing van de dooruitdelingskorting essentiële vraag of op de winstuitkeringen welke belanghebbende (indirect) heeft ontvangen van haar in het VK gevestigde dochtervennootschap, in het VK een bronbelasting van ten minste 5% is ingehouden. De A-G meent dat de in het VK gehanteerde heffingstechniek, al dan niet bij wege van afdracht op aangifte door de uitkerende vennootschap, in dit kader niet uitmaakt. De Staatssecretaris wil uitgaan van saldering van bronbelasting en tax credit, aldus dat de tax credit een korting vormt op de over het uitgekeerde dividend te betalen income tax, zodat terzake van de winstuitkering in het VK minder dan 5% is ingehouden.

De A-G merkt op dat het gaat om een vraag van buitenlands (VK) belastingrecht. De Rechtbank heeft overwogen: "(...) De tax credit moet worden aangemerkt als een teruggave aan de aandeelhouder van de over de winst van de uitdelende vennootschap geheven winstbelasting en dus niet als een vermindering van de bronbelasting over het ter beschikking gestelde dividend. (...)". Aangezien het hier gaat om uitleg van buitenlands (belasting)recht kan toetsing van de door de Rechtbank gegeven uitleg door de Hoge Raad slechts plaatsvinden op begrijpelijkheid in het kader van een tegen een bepaalde uitleg gerichte motiveringsklacht. De A-G meent dat in cassatie aan de inhoud en degelijkheid van een dergelijke klacht, wil deze enige kans van slagen hebben, vrij aanzienlijke eisen worden gesteld. In verband daarmee merkt de A-G op dat de door de Staatssecretaris bij beroepschrift in cassatie gegeven uitleg, die afwijkt van de uitleg van de Rechtbank, van hetgeen hier zou gelden onder het belastingrecht van het VK, te summier is. Wat daaraan volgens de A-G ontbreekt is een degelijke en goed gemotiveerde onderbouwing, met verwijzing naar Britse wetsartikelen, jurisprudentie et cetera, van hetgeen Brits belastingrecht in de visie van de Staatssecretaris zou inhouden. De uitleg die de Rechtbank heeft gegeven aan het karakter van de tax credit (ook na afschaffing van de ACT) is volgens de A-G niet onbegrijpelijk te achten.

(Voor vervolg inhoudsindicatie zie conclusie)

Uitspraak

Derde kamer - uitspraak volgt.