Belastingrecht
Conclusie PG: Belanghebbende heeft met een drietal hogescholen (hierna: de hogescholen) een…
Hoge Raad, 1 november 2012
ECLI:NL:HR:2012:BY4654 · Hoge Raad · 1 november 2012
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/bestuursrecht/belastingrecht/cassatie/ecli-nl-hr-2012-by4654
Zaakgegevens
Op 1 november 2012 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 1 november 2012
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- CPG 11/04916
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2012:BY4654
Samenvatting
Conclusie PG:
Belanghebbende heeft met een drietal hogescholen (hierna: de hogescholen) een samenwerkingsovereenkomst gesloten met betrekking tot de huisvesting van buitenlandse studenten. Uit hoofde van deze overeenkomst heeft belanghebbende aan de hogescholen bedragen in rekening gebracht, aangeduid als: 'bijdrage voor exploitatietekort' en 'bijdrage voor leegstand'. De kamers worden door belanghebbende verhuurd aan buitenlandse studenten die belanghebbende daarvoor een (marktconforme) huur betalen.
In geschil is of en, zo ja, op welke wijze de door belanghebbende aan de hogescholen berekende vergoedingen in de heffing van omzetbelasting dienen te worden betrokken.
De Rechtbank Leeuwarden oordeelde dat de door belanghebbende aan de hogescholen in rekening gebrachte bedragen gezamenlijk de tegenwaarde vormen voor de verplichting die belanghebbende op zich heeft genomen tot het faciliteren, creëren en garanderen van de beschikbaarheid van voldoende, passende en betaalbare woonruimte voor internationale studenten en dat daarop het algemene tarief van toepassing is.
Hof Leeuwarden (hierna: het Hof) oordeelde in hoger beroep dat de bijdragen van de hogescholen moeten worden aangemerkt als vergoeding voor één met omzetbelasting belaste prestatie, die in wezen wordt gekenmerkt door verhuur van wooneenheden en waarop het verlaagde tarief van toepassing is.
De staatssecretaris van Financiën (hierna: de Staatssecretaris) komt in cassatie met twee middelen op tegen dit oordeel van het Hof.
A-G Van Hilten gaat er in cassatie vanuit dat belanghebbende ondernemer is in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet). Zij concludeert dat de activiteiten van belanghebbende in verband met de verhuur van studentenkamers individuele belangen dienen en daarom in beginsel als diensten in de zin van de omzetbelasting kunnen worden aangemerkt. Vervolgens gaat de A-G in op de vraag of de desbetreffende activiteiten als één dienst of als verschillende diensten moeten worden beschouwd. Het oordeel van het Hof dat sprake is van één, als verhuur te kenschetsen, prestatie acht A-G Van Hilten onbegrijpelijk, of althans onvoldoende gemotiveerd. Zij meent dat uit de overwegingen van het Hof - uitgaande van de juistheid van haar lezing dat (i) het Hof als belanghebbendes prestatie de verhuur van studentenkamers ziet, en (ii) dat in punt 4.1 van 's Hofs uitspraak is bedoeld 'aan de hogescholen', niet duidelijk wordt waarom sprake is van één onsplitsbare handeling aan de studenten. Te meer nu de 'exploitatiebijdrage' en de 'leegstandsbijdrage' aan de hogescholen in rekening zijn gebracht en uitgangspunt in de omzetbelasting is dat degene die de rekening krijgt, behoudens tegenbewijs, de afnemer van een prestatie is.
Voor het geval de Hoge Raad de A-G niet volgt in de slotsom dat 's Hofs oordeel omtrent de duiding van de prestatie onbegrijpelijk is, bespreekt zij het vereiste voor belast(baar)heid dat tussen prestatie en vergoeding een rechtstreeks verband moet bestaan. De vaststelling van het Hof dat zulks het geval is en de door Hof daartoe gebezigde motivering, kan A-G Van Hilten niet volgen.
De cassatiemiddelen van de Staatssecretaris slagen derhalve.
De conclusie strekt tot gegrondverklaring van het beroepschrift in cassatie van de Staatssecretaris en verwijzing van de zaak.
Procesgang
Gerechtshof Leeuwarden · 27 september 2011
ECLI:NL:GHLEE:2011:BT5832Hoge Raad · 1 november 2012deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2012:BY4654
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 1 november 2012
ECLI:NL:PHR:2012:BY4654Hoge Raad · 10 januari 2014
ECLI:NL:HR:2014:6Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg · (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzenVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg
Uitspraak
Derde kamer - Uitspraak volgt