Belastingrecht

Conclusie PG: A-G IJzerman heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 12/02259 naar aanleiding van de…

Zaakgegevens

Op 21 november 2012 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21 november 2012
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
CPG 12/02259
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2012:BY5323
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Conclusie PG:

A-G IJzerman heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 12/02259 naar aanleiding van de beroepen in cassatie van X BV, belanghebbende, tegen de uitspraak van het gerechtshof te Arnhem van 20 maart 2012, nrs. 11/00043 tot en met 11/00058, LJN BW0442, NTFR 2012/1092.

Belanghebbende heeft tussen 21 februari 2008 en 30 juni 2009 bij aangiften omzetbelasting zestien verzoeken om teruggaaf gedaan. Omdat de Inspecteur op deze teruggaafverzoeken nog geen beschikkingen had genomen, heeft belanghebbende per verzoek beroep ingesteld tegen het niet nemen van een besluit. Daarop ziet deze procedure.

De Inspecteur heeft inmiddels wel beslist op de teruggaafverzoeken. In verband daarmee kan de voorvraag worden gesteld wat nog kan bewerkstellingen dat belanghebbendes onderhavige beroep in cassatie, wegens resterend belang daarbij, ontvankelijk is. De A-G meent dat belanghebbendes belang hier nog is te zien in de verzochte proceskostenveroordelingen in alle instanties en vergoeding van griffierecht. De Inspecteur heeft zijn besluiten immers pas genomen na het instellen van beroep en hoger beroep. Daarmee acht de A-G het beroep in cassatie ontvankelijk.

De directe inzet van het geschil in cassatie is of het Hof belanghebbende terecht ambtshalve niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar beroep bij de Rechtbank, als ingesteld wegens het uitblijven van een besluit van de Inspecteur op de voornoemde verzoeken om teruggaaf van omzetbelasting, omdat het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende heeft verzuimd de Inspecteur eerst in gebreke te stellen alvorens beroep in te stellen wegens het niet nemen van een besluit.

De ontvankelijkheidsvraag is van openbare orde en dient daarom ambtshalve te worden getoetst. Het komt de A-G voor dat dat 's Hofs ambtshalve herbeoordeling in hoger beroep van de ontvankelijkheidsvraag in eerdere instantie, bij de Rechtbank, insluit ambtshalve onderzoek van volgens het Hof daarvoor van belang zijnde feiten. Dat het Hof dat in casu zo heeft gedaan acht de A-G dan ook juist.

Belanghebbende ziet als ingebrekestelling haar eerdere (afgewezen) vorderingen in kort geding bij de burgerlijke rechter, ziende op de verzochte teruggaven van omzetbelasting. Het Hof heeft echter geoordeeld dat dit niet het geval is.

De A-G meent dat op belanghebbende inderdaad in beginsel, op grond van artikel 6:12 Awb, in het licht van het overgangsrecht ter zake, de verplichting rustte de Inspecteur in gebreke te stellen alvorens beroep in te stellen tegen het niet tijdig nemen van besluiten tot teruggaaf van omzetbelasting.

Volgens de A-G was de Inspecteur hier door tijdsverloop in gebreke tijdig een besluiten te nemen. Van afspraken tussen partijen die dat anders zouden maken is de A-G niet gebleken.

Het lijkt de A-G op zichzelf juist dat in kort geding als wederpartij is gedagvaard De Staat der Nederlanden. De Inspecteur is daarvan een bestuursorgaan dat krachtens interne opdracht kan worden betrokken bij de uitvoering van een toewijzend vonnis. De A-G acht dat echter onvoldoende om te kunnen zeggen dat de dagvaarding of de procedure in kort geding in bestuursrechtelijke zin is te zien als een aan de Inspecteur gerichte ingebrekestelling. In zoverre is de A-G het eens met het Hof. Overigens meent de A-G dat de beslistermijn voor de teruggaafverzoeken acht weken bedraagt. Voorzover voor het einde van die termijn al was gedagvaard, is hoe dan ook sprake van premature ingebrekestelling, ongeacht de vraag of de kort geding procedure kan worden gezien als ingebrekestelling.

Indien mocht worden geoordeeld dat belanghebbendes vorderingen in kort geding niet kunnen worden aangemerkt als ingebrekestelling, stelt belanghebbende dat in het licht van de kort geding procedure en de overige omstandigheden van het geval in redelijkheid niet van haar kon worden gevergd dat zij de Inspecteur in gebreke stelde.

In verband daarmee heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld 'dat de zaken al zo lang lopen, er al zoveel is gebeurd en al twee jaar regelmatig is gevraagd om de teruggaven omzetbelasting, dat een ingebrekestelling geen enkele zin meer zou hebben'. De A-G meent evenwel dat de zin van een ingebrekestelling er in casu in gelegen had kunnen zijn de Inspecteur een laatste termijn te stellen, althans hem ertoe te bewegen een niet al te lange termijn te noemen waarbinnen teruggaafbeschikkingen zouden worden genomen, zelfs al zouden die negatief uitpakken voor belanghebbende. Vervolgens zou voor belanghebbende de weg openstaan naar bezwaar (en beroep) tegen die (gemotiveerde) beschikkingen. Het komt de A-G voor dat hierin inderdaad redenen kunnen zijn gelegen om ingebrekestelling te verlangen.

Voorts attendeert de A-G erop dat het hem voorkomt dat de civiele rechter belanghebbendes vorderingen niet inhoudelijk had moeten beoordelen, maar de vorderingen niet-ontvankelijk had moeten verklaren, omdat bij de belastingrechter de weg openstond naar het vragen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 8:81 Awb.

De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

Uitspraak

Derde kamer - uitspraak volgt