Belastingrecht

CONCLUSIE PG Verzoek om teruggaaf dividendbelasting, op grond van vrij EU-kapitaalverkeer, door Fins…

Hoge Raad, 28 november 2012

Zaakgegevens

Op 28 november 2012 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28 november 2012
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
CPG 12/01866
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2012:BY6887
E-mail

Samenvatting

CONCLUSIE PG

Verzoek om teruggaaf dividendbelasting, op grond van vrij EU-kapitaalverkeer, door Fins niet-onderworpen open end beleggingsinstelling zonder uitdelingsverplichting. Vergelijkbaarheid met (i) niet-onderworpen ingezeten lichamen die ex art. 10(1) Wet Divb recht hebben op teruggaaf en (ii) fiscale beleggingsinstellingen die ex art. 11a Wet Divb recht hebben op afdrachtvermindering

Feiten: De belanghebbende is een in Finland gevestigd open end beleggingsfonds zonder rechtspersoonlijkheid. Hij hield in 2008 ter belegging aandelen in Nederlands ingezeten vennootschappen. In dat jaar is aan hem op die aandelen € 235.492,30 dividend uitgekeerd, waarop 15% dividendbelasting is ingehouden. De belanghebbende heeft de Inspecteur ex art. 10 Wet Divb verzocht om hem die belasting te restitueren, hetgeen de Inspecteur geweigerd heeft. Daartegen is de belanghebbende na prorogatie in beroep gegaan.

In geschil is of het vrije kapitaalverkeer ex art. 56 EG-verdrag (thans art. 63 VwEU) noopt tot teruggaaf van de dividendbelasting. Bij positieve beantwoording van die vraag is in geschil of ingevolge art. 8:73 Awb recht op schadevergoeding bestaat.

De Rechtbank wijst belanghebbendes beroep af, maar volgens het Hof in hoger beroep is weigering van teruggaaf een indirecte discriminatie of een verkapte beperking van het vrije kapitaalverkeer die niet gerechtvaardigd wordt door dwingende redenen van algemeen belang.

Cassatiemiddel Staatssecretaris: Het Hof beschouwt de belanghebbende ten onrechte als vergelijkbaar met een in Nederland niet aan de vennootschapsbelasting onderworpen lichaam.

A-G Wattel acht rechtskundig onjuist 's Hofs oordeel dat voor de vergelijking beslissend is de fiscale 'kwalificatie' van de niet-ingezeten aandeelhouder in diens thuisland. Bij gebrek aan elke harmonisatie op dat vlak, zijn EU-lidstaten vrij hun belastingjurisdictie te bepalen, en dus ook hun jurisdictievestigings- en uitoefeningscriteria (mits nondiscriminatoir). Nederland is geenszins verplicht Finse, Portugese of Estse nationaalrechtelijke (niet-)onderworpenheidscriteria te erkennen. De belanghebbende wordt niet op basis van nationaliteit of vestigingsplaats, maar op basis van afwijkende juridische en feitelijke eigenschappen anders behandeld dan ingezeten niet-onderworpen lichamen. Naar die juridische en feitelijke eigenschappen beoordeeld, is de belanghebbende naar Nederlands recht wél onderworpen aan de vennootschapsbelasting en dus onvergelijkbaar. Met de Staatssecretaris meent de A-G daarom dat het Hof art. 63 VwEU en art. 10 Wet Divb verkeerd heeft uitgelegd.

Ook de vergelijking met een fbi gaat volgens de A-G mank. Voor de toepasselijkheid van het Nederlandse nultarief c.q. afdrachtvermindering bij een fbi geldt de voorwaarde dat de Nederlandse dividendbelasting ten laste van het fonds quasi-meteen vervangen wordt door Nederlandse dividendbelasting ten laste van de achterliggende deelnemers. De belanghebbende is echter noch inhoudingsplichtig voor de Nederlandse dividendbelasting (waardoor een afdrachtvermindering geen voorwerp kan hebben), noch in zijn vestigingsland onderworpen aan een doorstootverplichting vergelijkbaar met die ex art. 28(2)(b) Wet Vpb (waardoor de vervanging eeuwig uitgesteld zou kunnen worden). Dat deze verschillen doorslaggevend zijn bij de vergelijking van ingezeten en niet-ingezeten beleggingsfondsen voor de heffing (inhouding), verrekening en afdracht van dividendbelasting onder de vrijheid van kapitaalverkeer, blijkt uit de zaken C-194/06, Orange European Smallcap Fund en C-347/11, Santander.

Conclusie: cassatieberoep gegrond.

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 9 maart 2012

    ECLI:NL:GHSHE:2012:BV9630
  2. Hoge Raad · 28 november 2012deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2012:BY6887

  3. Conclusie A-G · 28 november 2012

    ECLI:NL:PHR:2012:BY6887
  4. Hoge Raad · 15 november 2013

    ECLI:NL:HR:2013:1128

    Conclusie gevolgd · (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

Uitspraak

Derde kamer - uitspraak volgt