Belastingrecht

Conclusie PG: In deze conclusie is de uitlegging van paragraaf 10 van de zogenoemde Toelichting Gemeenten aan…

Zaakgegevens

Op 11 december 2012 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11 december 2012
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
CPG 11/04771
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2012:BY8736
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Conclusie PG:

In deze conclusie is de uitlegging van paragraaf 10 van de zogenoemde Toelichting Gemeenten aan de orde. Op basis van deze paragraaf worden samenwerkingsverbanden van gemeenten vereenzelvigd met de deelnemende gemeenten voor hun onderling verrichte handelingen die - indien deze door een gemeente waren verricht - buiten diens ondernemerssfeer zouden vallen. Deze onderling verrichte handelingen blijven ten gevolge van die vereenzelviging buiten het bereik van de omzetbelasting. De vraag is of de vereenzelviging van samenwerkingsverband met de daaraan deelnemende gemeenten zo ver strekt dat ook handelingen die buiten de eigenlijke samenwerking plaatsvinden, daaronder vallen.

Belanghebbende is een publiekrechtelijk lichaam, ingesteld bij een tussen verschillende gemeenten gesloten gemeenschappelijke regeling met betrekking tot - kort gezegd - afvalbeheer. Met een van de deelnemers in de gemeenschappelijke regeling, de gemeente W, heeft belanghebbende een overeenkomst gesloten, op grond waarvan belanghebbende tegen vergoeding de inzameling van huishoudelijk afval in deze gemeente ging verzorgen. Belanghebbende verricht deze dienst uitsluitend aan de gemeente W, en dus niet aan de andere gemeenten die deelnemen aan de gemeenschappelijke regeling.

Belanghebbende heeft met een beroep op paragraaf 10 van de zogenoemde Toelichting Gemeenten ter zake van het inzamelen van huishoudelijk afval in de gemeente W geen omzetbelasting berekend of voldaan. De Rechtbank Leeuwarden (hierna: de Rechtbank) en het Hof Leeuwarden (hierna: het Hof) hebben geoordeeld dat belanghebbende ter zake van de jegens de gemeente W verrichte 'inzamelingsdiensten' wel degelijk omzetbelasting is verschuldigd. In cassatie is in geschil of dit juist is.

A-G Van Hilten wijst op de gelijkenis die paragraaf 10 van de Toelichting Gemeenten vertoont met de zogenoemde 'koepelvrijstelling' van artikel 11, lid 1, onderdeel u, van de Wet op de omzetbelasting 1968. Het is tussen partijen niet in geschil dat belanghebbende niet voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van de koepelvrijstelling.

Louter tekstueel gezien lijken belanghebbendes inzamelingsactiviteiten voor de gemeente W onder het bereik van paragraaf 10 van de Toelichting Gemeenten te vallen. Niet in geschil is dat de betreffende activiteiten niet tot de ondernemerssfeer van de gemeente behoren. Daarnaast staat vast (i) dat belanghebbende een samenwerkingsverband is van diverse gemeenten, (ii) dat de gemeente W aan dat samenwerkingsverband deelneemt én (iii) dat belanghebbende jegens de gemeente W presteert (tegen vergoeding).

Alvorens tot onbelastbaarheid te kunnen concluderen moeten volgens A-G van Hilten evenwel twee hordes worden genomen. De eerste is dat belanghebbende slechts jegens één van de deelnemers deze inzamelingshandelingen verricht. A-G Van Hilten meent dat deze horde genomen kan worden. Zij neemt die horde met behulp van het arrest van het HvJ van 11 december 2008, Stichting Centraal Begeleidingsorgaan voor de Intercollegiale Toetsing, C-407/07, BNB 2009/18. Het HvJ oordeelde in dat arrest dat de omstandigheid dat slechts jegens één deelnemer gepresteerd wordt, niet hoeft af te doen aan de toepasbaarheid van de zogenoemde koepelvrijstelling. Weliswaar gaat het in deze zaak niet om de koepelvrijstelling, maar de regeling van paragraaf 10 van de Toelichting Gemeenten vertoont daarmee - wat betreft formulering, maar zeker wat betreft haar (veronderstelde) strekking - zodanige gelijkenissen, dat de A-G een analoge toepassing van dat arrest mogelijk acht.

Een tweede horde is volgens de A-G gelegen in de omstandigheid dat de handelingen die belanghebbende jegens de gemeente W verricht, geen handelingen zijn die 'gedekt' worden door de overeengekomen samenwerking. Het lijkt A-G Van Hilten dat de bedoeling van paragraaf 10 van de Toelichting Gemeenten is geweest dat de daarin bedoelde vereenzelviging alleen geldt voor handelingen waartoe het samenwerkingsverband is gesloten. Dit blijkt evenwel niet uit de bewoordingen van de paragraaf, hetgeen de vraag oproept of belanghebbende in redelijkheid uit paragraaf 10 van de Toelichting Gemeenten heeft mogen begrijpen dat de daarin opgenomen regeling ook op haar situatie van toepassing is. In dat geval kan belanghebbende zich met recht beroepen op (vertrouwen, gewekt door) paragraaf 10 van de Toelichting Gemeenten. Alles afwegende komt A-G Van Hilten tot de slotsom dat belanghebbende aan paragraaf 10 van de Toelichting Gemeenten redelijkerwijs heeft kunnen ontlenen dat de inzameling van huishoudelijk afval voor de gemeente W buiten de heffing van omzetbelasting kon blijven.

A-G Van Hilten komt tot de conclusie dat het middel slaagt en zij concludeert tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.

Procesgang

  1. Gerechtshof Leeuwarden · 20 september 2011

    ECLI:NL:GHLEE:2011:BT2424
  2. Hoge Raad · 11 december 2012deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2012:BY8736

  3. Conclusie A-G · 11 december 2012

    ECLI:NL:PHR:2012:BY8736
  4. Hoge Raad · 11 oktober 2013

    ECLI:NL:HR:2013:839

    Conclusie gevolgd · (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

Uitspraak

Derde kamer - uitspraak volgt