Belastingrecht

CONCLUSIE PG A-G IJzerman heeft conclusie genomen in de zaken met nummers 12/00637 en 12/00641 naar…

Zaakgegevens

Op 18 december 2012 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18 december 2012
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
CPG 12/00637 en 12/00641
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2012:BY9294
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

CONCLUSIE PG

A-G IJzerman heeft conclusie genomen in de zaken met nummers 12/00637 en 12/00641 naar aanleiding van de beroepen in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën en de incidentele beroepen in cassatie van belanghebbenden, tegen de uitspraken van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 21 december 2011 met nummers BK-10/00253 en BK-10/00254.

Erflater woonde in zijn eigen woning tot zijn overlijden een aantal jaren samen met B. Erfgenamen zijn de beide zonen van erflater, belanghebbenden. Er is tijdens het leven van erflater een afspraak gemaakt dat B tot haar dood om niet mocht blijven wonen in de eigen woning van erflater. Die afspraak is mondeling gemaakt. Er is niet bij testament of notariële akte een recht op (voortgezette) bewoning van de eigen woning van erflater toegekend.

De zonen van erflater hebben B na het overlijden van erflater laten wonen in de woning tot aan haar dood. Kennelijk met respectering van die afspraak. Het Hof heeft de afspraak gekwalificeerd als derdenbeding, aldus dat erflater met zijn zonen 'de afspraak heeft gemaakt dat B na het overlijden van erflater om niet in de woning mocht blijven wonen en dat B deze - als derdenbeding te kwalificeren - afspraak voor het overlijden van erflater heeft aanvaard'.

Vervolgens heeft het Hof als aan de verkrijging door belanghebbenden verbonden, op de verkrijging in mindering te brengen, last aangemerkt het bewoningsrecht. Dit heeft het Hof gekwalificeerd als 'last welke voortvloeit uit de nakoming van een door de erflater ten behoeve van een derde gemaakt beding dat door de derde voor het overlijden is aanvaard'.

De A-G betwijfelt echter of de hier gemaakte afspraak is aan te merken als een derdenbeding. Als dat niet zo is ontvalt daarmee de grondslag aan de voornoemde kwalificatie als last.

De A-G meent dat de afspraak tussen erflater en B inhield dat zij bij hem zou blijven wonen en van hem de toezegging verkreeg dat zij tot haar dood mocht blijven wonen in die woning, hetgeen zij heeft aanvaard. Het gaat volgens de A-G om een afspraak tussen twee partijen, namelijk erflater en B. De A-G kwalificeert die afspraak als een overeenkomst van bruiklening, dus niet als een derdenbeding door de vader, erflater, gestipuleerd jegens zijn zonen, belanghebbenden, ten gunste van B. Erflater heeft de inhoud van de gemaakte afspraak mondeling ter kennis van zijn zonen gebracht, die bij die gelegenheid blijkbaar hebben gezegd de afspraak te zullen respecteren, ook na het overlijden van hun vader, erflater.

De A-G merkt op dat de zonen, als erfgenamen, met het overlijden van hun vader diens plaats hebben ingenomen als bruikleengevers. Vervolgens komt de A-G toe aan de vraag wat dit betekent voor de berekening van de hoogte van de verkrijging van de belanghebbenden.

Daartoe vermeldt de A-G dat de na overlijden van erflater voortdurende bruiklening er niet toe kan leiden dat de woning wordt gewaardeerd als te zijn in bewoonde staat. Redengevend is dat een recht van bruiklening wel kan worden ingeroepen jegens de bruikleengevers, eerst erflater en vervolgens belanghebbenden, maar niet jegens derden, marktgegadigden, na verkoop van de woning. In zoverre is een recht van bruiklening dus een zwakker recht dan bijvoorbeeld een huurrecht of een recht van vruchtgebruik c.q. goederenrechtelijk gevestigd recht van gebruik en bewoning. Ondanks een recht van bruiklening op de woning blijft deze daarom in het kader van de verkrijging door belanghebbenden als erfgenamen, gewaardeerd in vrije en ontruimde staat.

Dat neemt volgens de A-G evenwel niet weg dat op de erfgenamen/bruikleengevers wel degelijk de plicht bleef rusten de overeenkomst van bruiklening gestand te doen. Wanprestatie terzake zou ertoe hebben geleid dat zij de daardoor ontstane schade aan de bruiklener, B, zouden hebben moeten vergoeden. Het behoeft volgens de A-G geen betoog dat een verkoop van de woning aan een derde zonder beding dat de koper de bruikleenovereenkomst gestand zou doen, de kern van een dergelijke wanprestatie in zich zou bergen.

Het komt de A-G dan ook voor dat de verplichting de bruikleenovereenkomst gestand te blijven doen is aan te merken als een op belanghebbenden ten tijde van de verkrijging rustende verplichting welke een waardedrukkend effect heeft in de berekening van de hoogte van de verkrijging, als schuld van de nalatenschap.

Het lijkt de A-G dat voor de berekening van de hoogte van dat waardedrukkende effect kan worden aangesloten bij de ingevolge de Successiewet 1956 voor een vruchtgebruik geldende berekening. Het komt de A-G namelijk voor dat er bezien vanuit de bruikleengevers, belanghebbenden, geen economisch verschil is tussen de situatie dat de bewoner verblijft krachtens bruiklening of vruchtgebruik. Aldus zou kunnen worden aangesloten bij de berekening van het Hof in r.o. 7.5., als gebaseerd op tabeltoepassing.

Een en ander betekent dat het middel van de Staatssecretaris, ofschoon tot op zekere hoogte terecht voorgesteld, niet tot cassatie kan leiden.

In hun incidentele beroepen in cassatie hebben belanghebbenden er onder meer over geklaagd dat aan hen ten onrechte geen proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase is toegekend. De A-G meent dat die klacht doel treft. Hetgeen overigens door belanghebbenden incidenteel is aangevoerd kan niet tot cassatie leiden.

De conclusie strekt ertoe dat de beroepen in cassatie van de Staatssecretaris ongegrond dienen te worden verklaard en dat de incidentele beroepen in cassatie van belanghebbenden gegrond dienen te worden verklaard.

Uitspraak

Derde kamer - uitspraak volgt