Belastingrecht
Art. 10 en 11, lid 1, letter n, Wet LB 1964. Fondsenvrijstelling. Symbolische bijdrage werknemers.
Hoge Raad, 9 augustus 2013
ECLI:NL:HR:2013:475 · Hoge Raad · 9 augustus 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/bestuursrecht/belastingrecht/cassatie/ecli-nl-hr-2013-475
Zaakgegevens
Op 9 augustus 2013 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 9 augustus 2013
- Datum publicatie
- 9 augustus 2013
- Zaaknummer
- 12/01829
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2013:475
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Art. 10 en 11, lid 1, letter n, Wet LB 1964. Fondsenvrijstelling. Symbolische bijdrage werknemers.
Procesgang
Rechtbank Haarlem · 29 april 2011
ECLI:NL:RBHAA:2011:BQ4453Gerechtshof Amsterdam · 1 maart 2012
ECLI:NL:GHAMS:2012:BV9203(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaanVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 14 februari 2013
ECLI:NL:PHR:2013:BZ2721Hoge Raad · 9 augustus 2013deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2013:475
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg · Conclusie contrairGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Uitspraak
9 augustus 2013
nr. 12/01829
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van Stichting [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 1 maart 2012, nr. 11/00447, betreffende een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen.
1 Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 december 2009 tot en met 31 december 2009 een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Met toepassing van artikel 7:1a Awb is door belanghebbende beroep tegen deze aanslag ingesteld.
De Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 10/1459) heeft het beroep gegrond verklaard en de naheffingsaanslag vernietigd.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en het bij de Rechtbank ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2 Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 14 februari 2013 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.
De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3 Beoordeling van de middelen
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende is in de jaren zestig van de vorige eeuw opgericht en heeft ten doel de behartiging van de materiële omstandigheden van (de nabestaanden van) huidige en gewezen werknemers van [A] B.V. (hierna: [A]), [B] B.V. (hierna: [B]) of daarmee gelieerde bedrijven (hierna: de begunstigden).
In de jaren tot en met 1996 hebben (de rechtsvoorgangers van) [A] en [B] bedragen in belanghebbende gestort. In 1997 is besloten om het doen van dergelijke stortingen te staken. Ultimo 1996 bedroeg het fondsvermogen ongeveer € 1.000.000.
Het bestuur van belanghebbende heeft in een brief van 3 november 2008 aan de begunstigden kenbaar gemaakt belanghebbende op termijn op te heffen en het aanwezige kapitaal ineens aan hen uit te keren.
Op het verzoek van het bestuur van belanghebbende om per begunstigde ten minste € 1 te storten zijn in 2008 door begunstigden bedragen van ongeveer € 1 per persoon, in totaal circa € 500, in belanghebbende gestort.
In 2009 heeft belanghebbende een deel van haar kapitaal aan de begunstigden uitgekeerd.
Voor het Hof was in de eerste plaats in geschil of de door belanghebbende aan de begunstigden gedane uitkeringen moeten worden aangemerkt als loon uit dienstbetrekking als bedoeld in artikel 10, lid 1, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964).
Het Hof heeft geoordeeld dat de gedane uitkeringen moeten worden aangemerkt als loon uit dienstbetrekking. Het heeft daartoe overwogen dat het op grond van de feiten en omstandigheden aannemelijk is dat tussen de uitkeringen door belanghebbende en de dienstbetrekkingen van de (ex-)werknemers van [A] en [B] een zodanig nauw verband bestaat dat deze uitkeringen hun grond vinden in die dienstbetrekkingen. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het hiertegen gerichte eerste middel faalt derhalve.
Voorts was voor het Hof in geschil of de uitkeringen vallen onder de vrijstelling als bedoeld in artikel 11, lid 1, letter n, Wet LB 1964 (hierna: de fondsenvrijstelling). Het Hof heeft deze vraag ontkennend beantwoord omdat de bijdragen van de werknemers in de laatstverlopen vijf kalenderjaren zo gering waren dat daaraan voor de fondsvorming geen enkele wezenlijke betekenis toekomt. Hiertegen zijn de overige middelen gericht.
De fondsenvrijstelling vindt op grond van voormelde bepaling toepassing indien de inhoudingsplichtige gedurende de aan het jaar waarin de betreffende uitkeringen plaatsvinden voorafgaande vijf kalenderjaren aan de middelen van het fonds evenveel of minder heeft bijgedragen dan de bij het fonds betrokken werknemers.
Deze regeling strekt ertoe dat de fondsenvrijstelling van toepassing is indien de uitkeringen uitsluitend of voor een belangrijk deel worden gedaan uit door de werknemers zelf bijeengebrachte gelden. Daarbij heeft de wetgever er om redenen van uitvoerbaarheid voor gekozen om alleen bijdragen aan het fonds in de vijf voorafgaande kalenderjaren in de beoordeling te betrekken.
Hiermee is niet verenigbaar dat de vrijstelling wordt toegepast in gevallen waarin de bijdrage van de bij het fonds betrokken werknemers in de vijf voorafgaande kalenderjaren symbolisch is. In een dergelijk geval kan die bijdrage daarom niet worden aangemerkt als een bijdrage in de zin van artikel 11, lid 1, letter n, Wet LB 1964.
s Hofs kennelijke oordeel dat de bijdrage van de werknemers in dit geval een zo geringe omvang had dat zij symbolisch was, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden getoetst.
De middelen falen daarom eveneens voor zover zij zijn gericht tegen het oordeel van het Hof met betrekking tot de fondsenvrijstelling.
4 Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten
5 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, P.M.F. van Loon, R.J. Koopman en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2013.