Belastingrecht

Conclusie PG: Intraconcern geldverstrekking in de vorm van Australische redeemable preference shares; vaste…

Zaakgegevens

Op 9 januari 2013 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
9 januari 2013
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
CPG 12/03540
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2013:BZ0216
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Conclusie PG:

Intraconcern geldverstrekking in de vorm van Australische redeemable preference shares; vaste procentuele vergoeding, vaste looptijd, nauwelijks stemrecht; is de ontvangen vergoeding fiscaalrechtelijk rente of vrijgesteld deelnemingsdividend ex art. 13 Wet Vpb?

Feiten: De belanghebbende is een fiscale eenheid die indirect 16% houdt in A. Door de fiscale eenheid was aan een Australische tussenhoudster een aandeelhouderslening verstrekt ad AUD 53.000.000, de rente waarop steeds als belaste winst werd aangegeven. In 2004 vond een financiële herstructurering plaats waarbij A de aandeelhoudersleningen afloste en een nieuw opgerichte tussenhoudster redeemable preference shares (RPS) uitgaf aan de voormalige gewone aandeelhouders in A naar rato van hun voormalige gewone aandelenbezit. Na die herstructurering houdt de fiscale eenheid RPS ad nominaal AUD 73.501.453. Op de RPS wordt een vaste van 8% naar 12% oplopende vergoeding betaald; zij worden na tien jaar afgelost (redeemed), en zij dragen geen stemrechten behalve met betrekking tot henzelf.

In geschil is of de in 2004 ontvangen vergoeding op de RPS naar Nederlands fiscaal recht als rente of als vrijgesteld deelnemingsdividend moet worden gekwalificeerd.

De Rechtbank kwalificeert de RPS als een lening en de vergoeding als belaste rente. Subsidiair meent zij dat de belanghebbende door de formele omzetting van vreemd in eigen vermogen in fraudem legis handelde. Het Hof oordeelt in hoger beroep dat RPS voldoende vergelijkbaar zijn met cumulatief preferente aandelen zoals die ook in Nederland door kapitaalvennootschappen worden uitgegeven en kwalificeert de beloning als (vrijgesteld) dividend. Van fraus legis is volgens het Hof geen sprake omdat de belanghebbende ook van meet af aan had kunnen financieren met RPS.

Cassatiemiddel Staatssecretaris: (a) de wezenlijke kenmerken van de geldverstrekking brengen mee dat het naar Nederlands civiel recht om een lening gaat; (b) verzuimd is te beoordelen of fiscaalrechtelijk wel sprake is van kapitaal alvorens te bezien of sprake is van een in aandelen verdeeld kapitaal; en (c) er geldt uitdrukkelijk een terugbetalingsplicht ("must be redeemed") is overeengekomen zodat sprake is van een lening. Hij acht voorts onvoldoende gemotiveerd 's Hofs oordeel dat geen sprake zou zijn van fraus legis.

A-G Wattel meent dat naar Nederlands fiscaal recht sprake is van kapitaal als hetgeen de vennootschap ter beschikking wordt gesteld, gaat behoren tot het voor de vennootschapsschulden aansprakelijke en in het risico van haar onderneming delende vermogen dat bij verlies wordt aangetast. Of aan dat criterium is voldaan, heeft het Hof niet zichtbaar onderzocht. De vraag of er aan wordt voldaan, wordt beheerst door Australisch recht (vgl. HR BNB 2012/12 en HR NJ 2002, 241). Het Hof heeft daarom niet de juiste maatstaf gebruikt bij de fiscale kwalificatie van de RPS. De vastgestelde feiten bieden onvoldoende houvast voor de Hoge Raad om de geldverstrekking fiscaalrechtelijk te kwalificeren, zodat het eerste middel in zoverre gegrond is en verwezen moet worden naar de feitenrechter voor onderzoek, met name naar de positie van RPS-houders in faillissement ten opzichte van achtergestelde schuldeisers.

Ook het subsidiaire middel zou volgens de A-G gegrond zijn, maar dat zou zijns inziens niet tot cassatie leiden omdat de hoge Raad zelf het rechtsoordeel kan geven dat gebruikmaken van een dispariteit tussen Nederlands en Australisch recht op zichzelf geen strijd met doel en strekking van art. 13 Wet Vpb oplevert, nu die bepaling niet strekt tot voorkoming van internationale geldverstrekkingskwalificatie-mismatches en de wetgever internationale mismatches bij de toepassing van art. 13 Wet Vpb onder ogen gezien en geen specifieke object-onderworpenheidstoets of niet-aftrekbaarheidstoets heeft aangelegd.

Conclusie: vernietiging en verwijzing.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 7 juni 2012

    ECLI:NL:GHAMS:2012:BW8340
  2. Hoge Raad · 9 januari 2013deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2013:BZ0216

  3. Conclusie A-G · 9 januari 2013

    ECLI:NL:PHR:2013:BZ0216
  4. Hoge Raad · 7 februari 2014

    ECLI:NL:HR:2014:224

    Conclusie contrair · Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

Derde kamer - uitspraak volgt