Belastingrecht
Conclusie PG: A-G Niessen heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 12/00517. De aandelen van de…
ECLI:NL:HR:2013:BZ1901 · Hoge Raad · 7 februari 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/bestuursrecht/belastingrecht/cassatie/ecli-nl-hr-2013-bz1901
Zaakgegevens
Op 7 februari 2013 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 7 februari 2013
- Datum publicatie
- 8 april 2013
- Zaaknummer
- CPG 12/00517
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Belastingrecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2013:BZ1901
Samenvatting
Conclusie PG:
A-G Niessen heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 12/00517. De aandelen van de Belgische vennootschap X BVBA (hierna: belanghebbende) worden voor 100% gehouden door de in België woonachtige A (hierna: de DGA). De DGA verricht tegen een beloning werkzaamheden voor belanghebbende in Nederland en België. Omdat belanghebbende over het tijdvak januari 2007 geen aangifte loonbelasting heeft gedaan, heeft de Inspecteur een naheffingsaanslag opgelegd, alsmede een verzuimboete. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de DGA een werknemer is waarvoor belanghebbende loonbelasting had moeten inhouden.
Belanghebbende heeft bij brief gemotiveerd weergegeven waarom ze van mening is niet inhoudingsplichtig te zijn. Belanghebbende doet een beroep op de jurisprudentie van de Hoge Raad waarin is beslist dat indien een belastingplichtige zijn aangiftebiljet oningevuld terugzendt maar daarbij gemotiveerd aangeeft dat en waarom hij van mening is niet belastingplichtig te zijn, hem niet verweten kan worden dat hij nalatig is gebleven in het doen van aangifte. Uit het dossier blijkt dat nog voor de uitspraak op bezwaar uitvoerig is gecorrespondeerd over onder meer de vraag of belanghebbende inhoudingsplichtig was of niet. De A-G meent dat indien, zoals in het onderhavige geval, de inspecteur duidelijk kenbaar heeft gemaakt belanghebbendes standpunt omtrent de inhoudingsplicht niet te delen en belanghebbende heeft verzocht alsnog aangifte te doen, van belanghebbende niet langer gezegd kan worden dat deze niet nalatig is bij het doen van aangifte. Belanghebbendes beroep op voornoemde jurisprudentie faalt.
Belanghebbende heeft betoogd dat doordat zij is onderworpen aan de opcentiemen, de uitzondering van artikel 2, lid 5, Wet LB van toepassing is. Dit artikel schrijft voor dat geen inhoudingsplicht bestaat indien het loon uit de dienstbetrekking met inachtneming van het Verdrag, feitelijk is onderworpen aan een belasting naar het inkomen die door een andere mogendheid wordt geheven. De A-G meent dat bij de totstandkoming van het Verdrag door België bewust een voorbehoud is gemaakt met betrekking tot de opcentiemen. Dit heeft tot gevolg dat België voor de opcentiemen geen voorkoming verleent ondanks dat het heffingsrecht over de grondslag daarvoor zijnde het loon in het Verdrag aan Nederland is toegewezen. In zoverre is het loon onderworpen aan een belasting. Voorts meent de A-G dat de instantie voor wiens rekening de opcentiemen geheven worden, niet een andere mogendheid is in de zin van artikel 2 lid 5 Wet LB. Het gaat om een gemeentelijke heffing die uit doelmatigheid wordt geïnd door de staat België.
Uitspraak
Derde kamer - uitspraak volgt