Belastingrecht

Conclusie PG: In deze conclusie gaat het (wederom) om een gemeente die een school (gedeeltelijk) laat bouwen…

Zaakgegevens

Op 5 maart 2013 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
5 maart 2013
Datum publicatie
8 april 2013
Zaaknummer
CPG 12/02210
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2013:BZ5782
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Conclusie PG:

In deze conclusie gaat het (wederom) om een gemeente die een school (gedeeltelijk) laat bouwen en dan overdraagt aan het bevoegde gezag van de school. Het betreft dit keer een basisschool voor bijzonder onderwijs. De Wet op het primair onderwijs stelt regels omtrent de verplichting van gemeenten voor de (instandhouding van de) huisvesting van het primair onderwijs. Belanghebbende meent dat de overdracht van het schoolgebouw een (belaste) levering vormt en dat recht bestaat op aftrek van voorbelasting.

Het Hof 's-Gravenhage (hierna: het Hof) oordeelde dat zich in casu geen voor de heffing van omzetbelasting in aanmerking te nemen economische activiteit voordoet, en dat de gemeente derhalve geen recht op aftrek heeft.

Uit de arresten van de Hoge Raad van 17 februari 2012, gemeente Gemert-Bakel, nr. 09/04280, LJN BR4486, BNB 2012/117 m.nt. Swinkels, en van 29 juni 2012, gemeente Albrandswaard, nr. 10/00786, LJN BR4525, BNB 2013/35 m.nt. Swinkels leidt A-G Van Hilten af dat de Hoge Raad de vraag of zich in gevallen als deze een levering voordoet, inmiddels bevestigend heeft beantwoord. A-G Van Hilten ziet, gelet op het niet noemenswaardig afwijkende feitencomplex in die zaken, geen reden waarom de overdracht van het onderhavige schoolgebouw-in-aanbouw aan het bevoegde gezag, geen levering in de zin van de Wet zou zijn.

Belanghebbende heeft afstand gedaan van haar vordering tot betaling van de koopprijs, waartegenover het schoolbestuur dat bedrag schuldig heeft erkend. Het komt A-G Van Hilten voor dat deze omstandigheid nog niet met zich brengt dat de vergoeding niet zou zijn betaald c.q. dat er geen vergoeding zou zijn. Het is immers vaste jurisprudentie dat bij omzetting van een koopschuld in een leenschuld sprake is van betaling van de koopschuld. A-G Van Hilten verwijst naar het arrest Hoge Raad van 11 juli 2008, nr. 41335, LJN AY5990, BNB 2008/283 m.nt. Van Zadelhoff.

Uit het voorgaande leidt A-G Van Hilten af dat de levering van het schoolgebouw-in-aanbouw in casu tegen vergoeding heeft plaatsgevonden.

Zij gaat er in de conclusie van uit dat belanghebbende het schoolgebouw-in-aanbouw tegen (een niet symbolische) vergoeding aan het schoolbestuur heeft geleverd.

Veronderstellende dat deze levering door een als zodanig handelende ondernemer wordt verricht is met de vaststelling dat tegen vergoeding een levering wordt verricht, de belastbaarheid daarvan in beginsel een gegeven.

In beginsel, omdat uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie (hierna HvJ) kan worden afgeleid dat er enkele uitzonderingen zijn op de regel dat elke prestatie (van een belastingplichtige) waartegenover een vergoeding staat als 'economische activiteit' in de heffing wordt betrokken.

De eerste van die uitzonderingen is de 'er-is-geen-verbruik-doctrine'. Het lijkt A-G Van Hilten evident dat deze uitzondering zich in casu niet voordoet: het schoolbestuur zal zonder enige twijfel een voordeel hebben van het nieuwe schoolgebouw dat als verbruik valt te kwalificeren.

Een tweede uitzondering formuleerde het HvJ in zijn arrest van 26 juni 2007, T-Mobile Austria e.a., C-284/04, V-N 2007/32.21 (verder: arrest T-Mobile). Anders dan het Hof kennelijk van oordeel is, meent A-G Van Hilten dat de onderhavige situatie toch een andere is dan die welke in het arrest T-Mobile aan de orde was. De 'T-Mobile-uitzondering' op de belastbaarheid van een tegen vergoeding verrichte prestatie is haars inziens in casu dan ook niet aan de orde.

Het uitgangspunt van A-G Van Hilten is daarom dat belanghebbende met de tegen vergoeding verrichte levering van het schoolgebouw in beginsel een belastbare prestatie (economische activiteit) heeft verricht. Omdat belanghebbende een publiekrechtelijk lichaam is, dient dan nog te worden onderzocht of zij de levering mogelijk 'als overheid' en daarmee niet in de hoedanigheid van ondernemer heeft verricht.

De levering van het schoolgebouw door belanghebbende is op civielrechtelijke leest geschoeid en vindt niet plaats met gebruikmaking van overheidsprerogatieven. Dit duidt erop dat hier geen sprake is van een handeling in het specifiek voor de gemeente geschapen juridische regime, hetgeen op grond van de jurisprudentie van het HvJ aan de nationale rechter is om te beoordelen. Ongeclausuleerd bepaalde artikel 3, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 in de in geding zijnde periode overigens dat publiekrechtelijke lichamen in elk geval voor de levering van onroerende zaken als ondernemer worden aangemerkt, zodat het pleit voor een belaste(1) levering ook daarom moet worden geacht te zijn beslecht.

Naar uit het voorgaande volgt, berust het oordeel van het Hof dat de overdracht van het schoolgebouw geen economische activiteit is, volgens de A-G op een onjuiste rechtsopvatting, dan wel is het zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Dat betekent dat het eerste middel slaagt. Verwijzing moet volgen voor nader (feiten)onderzoek van de door het Hof niet beoordeelde stellingen van de Inspecteur.

In het tweede middel voert belanghebbende aan dat het Hof de pleitnota van de Inspecteur tot de gedingstukken heeft gerekend zonder een oordeel te geven over de toelaatbaarheid van de in de pleitnota opgenomen nieuwe feiten. Het middel mist volgens de A-G belang omdat het Hof zijn oordeel niet op de bewuste pleitnota (en daarmee ook niet op de daarin opgenomen feiten) heeft gebaseerd.

De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard en dat verwijzing moet volgen.

1 Het gaat immers om een nieuwe onroerende zaak. Vgl. artikel 11, lid 1, aanhef en onderdeel a, aanhef en onder 1º, van de Wet.

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Gravenhage · 16 maart 2012

    ECLI:NL:GHSGR:2012:BX2885
  2. Hoge Raad · 5 maart 2013deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2013:BZ5782

  3. Conclusie A-G · 5 maart 2013

    ECLI:NL:PHR:2013:BZ5782
  4. Hoge Raad · 18 april 2014

    ECLI:NL:HR:2014:940

    Conclusie gevolgd · (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen

  5. Gerechtshof Amsterdam · 18 december 2014

    ECLI:NL:GHAMS:2014:6001

Uitspraak

Derde kamer - uitspraak volgt