Belastingrecht

Conclusie PG: A-G Niessen heeft conclusie genomen in de volgende zaak. Belanghebbende heeft drie maanden in…

Zaakgegevens

Op 6 maart 2013 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
6 maart 2013
Datum publicatie
22 juni 2013
Zaaknummer
CPG 12/02305
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2013:BZ6237
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Conclusie PG:

A-G Niessen heeft conclusie genomen in de volgende zaak.

Belanghebbende heeft drie maanden in Nederland gewerkt terwijl hij in Duitsland woonde en is daarna naar de Verenigde Staten (hierna: de VS) geëmigreerd. In geschil is of belanghebbende op grond van Europese jurisprudentie recht heeft op vermindering van het belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland met het negatieve eigenwoningsaldo voor zijn in Duitsland gelegen eigen woning, ook nu hij niet heeft geopteerd voor behandeling als binnenlands belastingplichtige.

De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard. Het Hof heeft onder verwijzing naar het arrest Renneberg van het HvJ EU beslist dat belanghebbende, gelijk hij verdedigt, op één lijn gesteld moet worden met een inwoner van Nederland van wie de belastingplicht door emigratie naar de Verenigde Staten eindigt. Een dergelijke belastingplichtige kan de negatieve inkomsten uit zijn woning in mindering brengen op het inkomen dat hij genoot tot aan het moment van emigratie. Het Hof heeft het hoger beroep van de Inspecteur ongegrond verklaard.

De A-G meent dat voor zover de Staatssecretaris in de toelichting op het middel wil betogen dat belanghebbende de door hem geclaimde aftrek louter met een beroep op art. 2.5 Wet IB 2001 kan verkrijgen, zijn klacht faalt, aangezien de wet een bepaling van dwingend Europees recht niet terzijde kan stellen. De A-G merkt op dat naar internationaal breed gedragen gewoonte de persoonlijke aftrekposten in aanmerking worden genomen bij de bepaling van de inkomstenbelastingverplichtingen in het woonland van de belastingplichtige. Wanneer een belastingplichtige zijn belastbare gezinsinkomen in hoofdzaak in de werkstaat verkrijgt, kan hij zijn recht op aftrek van persoonlijke aftrekposten in de woonstaat weliswaar rechtens uitoefenen maar in feite niet effectief maken. Het Europese recht vergt in dergelijke gevallen dat de aftrek door de werkstaat wordt verleend. Hierbij gelden twee beoordelingscriteria. Het ene heeft betrekking op de fiscale positie van de belastingplichtige in zijn woonland. Deze toets moet gezien de gebruikelijke structuur van het inkomstenbelastingrecht worden aangelegd voor de gehele periode binnen een belastingjaar waarin het subject in dat land binnenlands belastingplichtig is. Wanneer het inkomen in het woonland gedurende die periode te gering is, komt de plicht om de persoonlijke aftrekposten in aanmerking te nemen in beginsel te rusten op de werkstaat. Op die staat rust die verplichting echter alleen wanneer de betrokken belastingplichtige voor het grootste deel van zijn inkomen in die staat belastingplichtig is voor de inkomstenbelasting. De belastingplicht in de werkstaat is begrensd tot de periode waarin de belastingplichtige uit bepaalde aan haar territoir gebonden bronnen inkomsten geniet. De inkomenstoets kan dan ook logischerwijze voor geen andere periode worden aangelegd dan voor die periode waarin de belastingplichtige buitenlands belastingplichtig is in de werkstaat en binnenlands belastingplichtig in de woonstaat. Anders dan de Staatssecretaris betoogt, volgt uit de arresten Schumacker en Biehl niet het tegendeel. Naar de A-G meent moet in een geval als het onderhavige de in de Schumacker/Renneberg-jurisprudentie ontwikkelde toewijzingsregel worden toegepast binnen de grenzen van de periode van de dubbele belastingplicht in werkstaat A en woonstaat B, welke voor de thans te berechten zaak bestond van 1 januari tot en met 31 maart 2005. De A-G concludeert dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat Nederland in de omstandigheden van het onderhavige geval de gevraagde aftrek moet verlenen. Aan deze gevolgtrekking kunnen eventuele uitvoeringsproblemen niet afdoen waarbij opmerking verdient dat - beoordeeld naar Nederlands recht - de bewijslast ten aanzien van de in de werkstaat verlangde aftrek op de belanghebbende rust.

De conclusie strekt tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU.

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 23 maart 2012

    ECLI:NL:GHSHE:2012:BW1116
  2. Hoge Raad · 6 maart 2013deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2013:BZ6237

  3. Conclusie A-G · 6 maart 2013

    ECLI:NL:PHR:2013:BZ6237
  4. Hoge Raad · 13 december 2013

    ECLI:NL:HR:2013:1671

    Conclusie gevolgd

Uitspraak

Derde kamer - uitspraak volgt