Belastingrecht

CONCLUSIE PG Op 20 november 2003 is de vader van belanghebbenden overleden. Belanghebbenden zijn de…

Zaakgegevens

Op 27 maart 2013 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27 maart 2013
Datum publicatie
22 juni 2013
Zaaknummer
CPG 12/02319
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2013:BZ8588
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

CONCLUSIE PG

Op 20 november 2003 is de vader van belanghebbenden overleden. Belanghebbenden zijn de erfgenamen in de nalatenschap van hun vader, ieder voor een vierde gedeelte. Tot de nalatenschap behoorde een Chinese pot, een zogeheten Guan Yuan. Belanghebbenden hebben in de aangifte successierecht van 31 juli 2004 onder 'Overige bezittingen' bij de rubriek 'Sieraden, schilderijen en antiek' ongespecificeerd een bedrag van € 12.500 ingevuld. Met dagtekening van 26 oktober 2004 is aan ieder van de belanghebbenden afzonderlijk een aanslag in het recht van successie opgelegd naar een verkrijging van € 145.095 per belanghebbende, ten bedrage van € 16.998. De aangegeven waarde voor 'Sieraden, schilderijen en antiek' is bij aanslag kennelijk gevolgd.

Tot de stukken behoort een op verzoek van belanghebbenden door een deskundige op 12 november 2004 opgesteld taxatierapport. De totale waarde van de tot de nalatenschap behorende kunstvoorwerpen bedraagt volgens dat taxatierapport € 46.800. De Chinese pot is in dat taxatierapport aangeduid als afkomstig uit de periode van de Ming-dynastie en gewaardeerd op € 15.000. Belanghebbenden hebben zich gezamenlijk gewend tot het veilinghuis Christie's (hierna: het veilinghuis). Dat heeft op 1 december 2004 aan de Chinese pot een geschatte waarde toegekend van € 80.000 tot € 100.000 en op 17 december 2004 van € 300.000 tot € 400.000. Nadien heeft het veilinghuis de veilinglimiet van € 300.000 verhoogd tot £ 500.000 en een paar dagen voor de veiling op verzoek van belanghebbenden tot £ 1 miljoen. Op 12 juli 2005 is de pot bij een te Londen gehouden veiling verkocht voor een veelvoud daarvan, namelijk voor € 23 miljoen.

Met dagtekening 18 maart 2008 heeft de Inspecteur aan ieder van de belanghebbenden afzonderlijk een navorderingsaanslag in het recht van successie opgelegd naar een verkrijging van € 5.899.920 per belanghebbende, ten bedrage van € 1.535.196. Het saldo van de nalatenschap is vastgesteld op € 23.599.383. De Inspecteur heeft aan de Chinese pot een waarde toegekend van € 23 miljoen, conform de veilingopbrengst.

In het door belanghebbenden ingestelde hoger beroep heeft het Hof geoordeeld dat de Rechtbank bij de waardebepaling van de pot op overlijdensdatum, 20 november 2003, terecht de op 12 juli 2005 gerealiseerde verkoopprijs tot uitgangspunt heeft genomen. Het Hof heeft daartoe overwogen dat de prijs die op een veiling tot stand is gekomen bij uitstek de waarde in het economische verkeer vertegenwoordigt van de pot op dat moment. Het tijdsverloop van 20 maanden tussen overlijdensdatum en verkoopdatum, acht het Hof niet dusdanig dat de verkoopprijs geen uitgangspunt zou mogen vormen bij de waardebepaling van de pot op overlijdensdatum. Dat de verkoopprijs vele malen hoger lag dan de opbrengst die deskundigen hadden geschat, doet daaraan volgens het Hof niet af.

In verband met de snel gestegen marktprijzen voor dergelijk klassiek Chinees keramiek in de periode tussen de overlijdensdatum, 20 november 2003, en de veilingdatum, 12 juli 2005, heeft het Hof zich verenigd met het oordeel van de Rechtbank dat de waarde van de pot op overlijdensdatum schattenderwijs lager dan de gerealiseerde veilingprijs moet worden gesteld, namelijk op € 10.000.000.

Het eerste middel van belanghebbenden behelst dat 'het Hof op onjuiste gronden althans op gronden die de beslissing niet kunnen dragen heeft geoordeeld dat de waarde in het economisch verkeer van de vaas op versterfdatum euro 10 miljoen bedroeg'. In de toelichting wordt met name gesteld dat rechtens onjuist zou zijn het oordeel van het Hof dat de verkoopwaarde als uitgangspunt genomen kan worden.

De A-G meent dat de waarde in het economische verkeer op het waarderingstijdstip moet worden vastgesteld aan de hand van de op dat moment bestaande en voorzienbare waardebepalende feiten en omstandigheden, rekening houdend met alle feiten en omstandigheden die daar een licht op kunnen werpen. Daarbij doet het er volgens de A-G niet toe of die feiten of omstandigheden pas bekend zijn geworden na het waarderingstijdstip, in casu de overlijdensdatum. Volgens de A-G mocht het Hof de na het waarderingstijdstip (onverwacht hoge) gerealiseerde verkoopprijs tot uitgangspunt nemen. Daaraan kan volgens de A-G niet afdoen dat die prijs voordien door deskundigen niet werd voorzien.

Het tweede middel houdt in dat 'het Hof op onjuiste gronden althans op gronden die de beslissing niet kunnen dragen de beslissing van de rechtbank heeft overgenomen dat geen van beide partijen erin is geslaagd om het van haar gevergde bewijs te leveren'. Belanghebbenden beklagen zich erover dat het Hof bij de waardevaststelling op overlijdensdatum voorbij is gegaan aan de van hun kant overgelegde deskundigenrapporten. Daarmee zou het Hof de grenzen van de vrije bewijswaardering hebben overschreden.

De A-G merkt op dat in het belastingrecht de zogenoemde 'vrije bewijsleer' geldt, welke met name inhoudt dat de keuze en de waardering van de bewijsmiddelen aan de feitenrechter is overgelaten. Het is vaste jurisprudentie dat de waardering van de bewijsmiddelen aan het Hof is voorbehouden en dat de rechter zelfstandig conclusies mag trekken uit de vaststaande feiten. Er is volgens de A-G geen verplichting een waardering te baseren op (door partijen overgelegde) deskundigenrapporten.

De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbenden ongegrond dient te worden verklaard.

Uitspraak

Derde kamer - uitspraak volgt