Belastingrecht
Conclusie PG: Met diplomatiek personeel gelijkgestelde NAPMA-functionaris; kan heffingvrij vermogen ex. art…
ECLI:NL:HR:2013:CA0313 · Hoge Raad · 9 april 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/bestuursrecht/belastingrecht/cassatie/ecli-nl-hr-2013-ca0313
Zaakgegevens
Op 9 april 2013 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 9 april 2013
- Datum publicatie
- 22 juni 2013
- Zaaknummer
- CPG 12/03661
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Belastingrecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2013:CA0313
Samenvatting
Conclusie PG:
Met diplomatiek personeel gelijkgestelde NAPMA-functionaris; kan heffingvrij vermogen ex. art. 5.5(2) Wet IB 2001 overgedragen worden aan de niet-vrijgestelde binnenlands belastingplichtige partner als de artt. 33 en 34 Uitv. reg. AWR als heffingsgrondslag bij de NAPMA-functionaris alleen hoofdstuk 7 van de Wet IB 2001 aanwijzen, dat géén heffingvrij vermogen omvat?
Feiten: De belanghebbende, zijn echtgenote en hun drie minderjarige kinderen wonen in Nederland. De belanghebbende is Nederlander en werkt in loondienst in Nederland. Zijn echtgenote is Britse en werkt bij de NATO Airborne Early Warning and Control Programme Management Agency (NAPMA), onderdeel van de NAVO. Ingevolge art. 19 van het Verdrag van Ottawa is haar NAPMA-inkomen vrijgesteld. De belanghebbende en zijn echtgenote bezitten samen een tweede woning in Nederland die zij ex art. 2.17 Wet IB 2001 aan de belanghebbende hebben toegedeeld. Het overige box 3 vermogen is aan de echtgenote toegedeeld.
In geschil is of de belanghebbende in box 3 zijn heffingvrije vermogen ex art. 5.5(1) Wet IB 2001 mag verhogen ex art. 5.5(3) met heffingvrij vermogen van zijn echtgenote, die volgens de artt. 33 en 34 Uitv.reg. AWR niet onderworpen is voor een object waarvan heffingvrij vermogen deel uitmaakt.
De Rechtbank en het Gerechtshof hebben de belanghebbende in het gelijk gesteld omdat noch het Verdrag van Ottawa, noch de NAPMA-overeenkomst afdoen aan de binnenlandse belastingplicht van de belanghebbende en zijn echtgenote.
De Staatssecretaris meent dat de artt. 33 en 34 Uitvoeringsregeling AWR en de artt. 5.2 en 5.5 Wet IB 2001 zijn geschonden, doordat het Hof ten onrechte belanghebbendes echtgenote in box 3 gerechtigd heeft geacht tot een heffingvrij vermogen verhoogd met kindertoeslag en tot overdracht daarvan aan de belanghebbende.
A-G Wattel maakt uit het samenstel van nationale en internationale (beleids)regels en briefwisselingen en uit de feiten op dat de belanghebbende Nederlander is en daarom niet onder de (gelijkstellings)regels voor diplomaten en internationale organisaties valt, zodat hij niet in aanmerking komt voor afwijking van gewone binnenlandse belastingplicht. Hij heeft geen recht op enige vrijstelling in box 3, maar wel op éénmalig heffingvrij vermogen en de kindertoeslag. Dat is kennelijk ook niet (meer) in geschil.
Ook belanghebbendes echtgenote is als inwoonster binnenlands belastingplichtig, maar zij wordt door de genoemde (inter)nationale regels voor diplomatiek personeel en daarmee gelijkgestelden fiscaal behandeld als buitenlands belastingplichtig en ook nog beperkt, nl. met vrijstelling van haar NAPMA-inkomen. Zij is dus (zeer) beperkt binnenlands belastingplichtig, nl. alleen voor het object omschreven in hoofdstuk 7 Wet IB 2001. Aangezien de echtelieden hun tweede huis ex art. 2.17 Wet IB 2001 aan de belanghebbende hebben toegedeeld en het overige box 3 vermogen aan de echtgenote, is die echtgenote enerzijds voor haar box 3 inkomen vrijgesteld, maar heeft zij anderzijds geen recht op heffingvrij vermogen, nu de grondslagbepaling in hoofdstuk (art. 7.7(1) Wet IB 2001) daarin niet voorziet.
Iets dat er niet is kan ook niet verminderd worden tot nihil ex art. 5.5(2) Wet IB 2001. Hoewel het ontbreken van een vermindering bij de echtgenote op zichzelf niet in de weg hoeft te staan aan een vermeerdering bij de belanghebbende, blijkt volgens de A-G uit de tekst en de bedoeling van art. 5.5(2) Wet IB 2001 dat elke vermeerdering van heffingvrij vermogen bij de ene fiscale partner moet samengaan met een even grote vermindering bij de andere partner.
De belanghebbende heeft dus geen recht op verdubbeling van zijn heffingvrij vermogen.
Conclusie: beroep in cassatie gegrond; zelf afdoen.
Procesgang
Gerechtshof 's-Gravenhage · 19 juni 2012
ECLI:NL:GHSGR:2012:BY7905Hoge Raad · 9 april 2013deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2013:CA0313
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 9 april 2013
ECLI:NL:PHR:2013:CA0313Hoge Raad · 10 januari 2014
ECLI:NL:HR:2014:1Conclusie contrairGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg · Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
Derde kamer - uitspraak volgt