Belastingrecht
Conclusie PG: A-G Niessen heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 12/04039. In geschil is de uitleg van…
ECLI:NL:HR:2013:CA0323 · Hoge Raad · 17 april 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/bestuursrecht/belastingrecht/cassatie/ecli-nl-hr-2013-ca0323
Zaakgegevens
Op 17 april 2013 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 17 april 2013
- Datum publicatie
- 22 juni 2013
- Zaaknummer
- CPG 12/04039
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Belastingrecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2013:CA0323
Samenvatting
Conclusie PG:
A-G Niessen heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 12/04039. In geschil is de uitleg van het laatste deel van de zin 'resultaat uit overige werkzaamheden in Nederland' uit artikel 7.2, lid 2, sub c van de Wet IB 2001. De vraag die opkomt is of onder de buitenlandse belastingplicht een resultaat uit overige werkzaamheden dat is voortgekomen uit werkzaamheden die deels buiten Nederland zijn verricht, ook deels buiten de Nederlandse heffing zou moeten blijven. De A-G merkt op dat als resultaat uit overige werkzaamheden, ook wordt aangemerkt vermogenswinsten. Daarin kunnen twee categorieën worden ontwaard, te weten die waarbij de belastingplichtige aan de onroerende zaak waardeverhogende werkzaamheden verricht zoals verbouwing, en die waarbij hij de zaak niet materieel verandert maar door gebruik te maken van niet algemeen bekende gegevens erin slaagt deze te vervreemden tegen een prijs die substantieel hoger is dan de prijs waarvoor hij deze heeft verworven. In de eerstgenoemde groep gevallen zal de betreffende arbeid wanneer het een in Nederland gelegen onroerende zaak betreft, in Nederland worden verricht en in Nederland tot een belastbaar resultaat leiden. In de tweede groep gevallen hoeft de arbeid niet noodzakelijkerwijs in Nederland te worden verricht, ook al gaat het om een in Nederland gelegen onroerende zaak. Met behulp van de moderne communicatiemiddelen is het immers mogelijk dat de benodigde (juridische) handelingen worden uitgevoerd vanaf een willekeurige plaats buiten Nederland. Voor dergelijke gevallen rijst de vraag of de behaalde vermogenswinst kan worden aangemerkt als een resultaat uit overige werkzaamheden in Nederland, indien een deel van de werkzaamheden zijn verricht vanuit het buitenland. Wat als een arbeidsopbrengst wordt belast, is in wezen een vermogenswinst. Het behaalde resultaat is niet een gevolg van arbeid die de hoedanigheid van de onroerende zaak heeft gewijzigd (en dus louter ter plekke had kunnen worden verricht), maar van handelingen die tot het normale vermogensbeheer zouden worden gerekend, ware het niet dat deze door bijzondere kennis aan de zijde van de belastingplichtige een andere 'kleur' hebben gekregen die de enige grond is waarom het resultaat tot de belastbare opbrengsten behoort. Verder merkt de A-G op dat dergelijke winsten in het internationale verdragsrecht worden beheerst door het vermogenswinstartikel dat hen toewijst aan het situsland, met als gevolg dat het naar nationaal recht in de buitenlandse belastingplicht onbelast laten van dergelijke winst ertoe zou leiden dat deze in een grensoverschrijdende situatie noch in het woonland noch in het situsland zou kunnen worden belast. Uit de parlementaire behandeling blijkt dat de wetgever met de tekst van de onderhavige regeling mede beoogde 'witte plekken' in de belastingheffing te vermijden. De slotsom is dat ter zake van in Nederland gelegen onroerende zaken behaalde resultaten uit overige werkzaamheden steeds in Nederland belastbaar zijn. Een splitsing van het resultaat is dan niet aan de orde. De klacht is ongegrond.
Uitspraak
Derde kamer - uitspraak volgt